10 april 2026
Formeel / Art. 236, lid 2, Gemeentewet van toepassing op alle bezwaarschriften
De hoofdregel van art. 236, lid 2, Gemeentewet bepaalt dat op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste 6 weken van een kalenderjaar, de heffingsambtenaar uitspraak doet in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. Volgens art. 236, lid 2, Gemeentewet heeft deze bepaling betrekking op elk bezwaarschrift waarop de heffingsambtenaar uitspraak doet. Deze bepaling is niet beperkt tot bezwaarschriften die zien op de heffing van gemeentelijke belastingen. Aan de wetsgeschiedenis zijn geen argumenten te ontlenen die aanleiding geven tot een andere uitleg. Dit brengt mee dat art. 236, lid 2, Gemeentewet ook van toepassing is indien een heffingsambtenaar uitspraak doet op een bezwaarschrift dat is gericht tegen een door hem genomen dwangsombeschikking, als bedoeld wegens het niet-tijdig geven van een beschikking op aanvraag. Lees meer20 maart 2026
Formeel / Verdeling van stelplicht en bewijslast bij afwijking van taxatiewijzer
Een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast brengt mee dat de partij die een beroep doet op een afwijking van de richtsnoeren uit een taxatiewijzer, terwijl zij die taxatiewijzer als uitgangspunt voor het desbetreffende aspect van de waardering heeft aanvaard, de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Indien die partij de belanghebbende is, vormt dit een uitzondering op de regel dat de stelplicht en bewijslast in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten. X heeft kenbaar gemaakt dat zij zich niet kan vinden in de richtsnoeren die de Taxatiewijzer en de daarbij behorende kengetallen geven met betrekking tot de restwaardes. Daarom bestaat geen grond om met betrekking tot de restwaardes een uitzondering aan te nemen op de regel dat de stelplicht en bewijslast in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten. Lees meer20 maart 2026
Formeel / Wijziging standpunt ontvankelijkheid na inhoudelijke beslissing
Het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel verzetten zich ertegen dat een bestuursorgaan dat inhoudelijk op het bezwaar heeft beslist, in (hoger) beroep alsnog het standpunt inneemt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is wegens onverschoonbare termijnoverschrijding. Op dit uitgangspunt is een uitzondering mogelijk indien (i) X vóór de uitspraak op bezwaar onjuiste of onvolledige feitelijke informatie aan het bestuursorgaan heeft verstrekt die van belang is voor de beoordeling van de tijdigheid van het bezwaar of van de verschoonbaarheid van de ontijdigheid daarvan, dan wel het bestuursorgaan de juiste en volledige informatie daarover in strijd met een wettelijke verplichting heeft onthouden, terwijl (ii) X redelijkerwijs had moeten weten dat het bestuursorgaan daardoor niet in staat was de ontvankelijkheid van het bezwaar goed en volledig te beoordelen, en (iii) het bestuursorgaan (mede) op basis van die onjuiste of onvolledige feitelijke informatie, dan wel als gevolg van het ontbreken van de aan hem onthouden juiste en volledige informatie, de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft aangenomen.Lees meer20 maart 2026
WOZ / Matiging niet beperkt tot geschilpunten van ondergeschikt belang
Art. 2 lid 2 Bpb strekt ertoe de rechter de mogelijkheid te bieden de proceskostenvergoeding te verminderen in gevallen waarin een veroordeling van het bestuursorgaan tot vergoeding van dat volledige bedrag onredelijk zou zijn. Het gaat erom of onverkorte toepassing van lid 1 onredelijk is in het licht van het gewicht van de geschilpunten waarop X in het gelijk is gesteld. De mogelijkheid tot matiging is niet beperkt tot gevallen waarin X in het gelijk is gesteld op een punt van ondergeschikt belang. Ook in gevallen waarin de geschilpunten waarop X gelijk krijgt niet van ondergeschikt belang zijn, bestaat de mogelijkheid dat het gewicht van deze punten lichter is dan het gewicht van de zaak in zijn geheel. Het is daardoor mogelijk dat de rechter ook in zulke gevallen aanleiding vindt om de proceskostenvergoeding te matigen.Lees meer17 februari 2026
WOZ / Categoriegebonden regels voor art. 40 lid 2 Wet WOZ-gegevens
Art. 40 lid 2 Wet WOZ verplicht de heffingsambtenaar op verzoek een afschrift te verstrekken van de gegevens die rechtstreeks zijn gebruikt bij de vaststelling van de WOZ-waarde, voor zover deze gegevens zijn vastgelegd in reeds bestaande stukken. Uit de bepaling vloeit geen algemene verplichting voort om op verzoek inzicht te geven in, of uitleg over de wijze van waardebepaling. Of gegevens zijn gebruikt voor de waardebepaling hangt af van de omstandigheden, waarbij het voor de rechter nodig kan zijn inzicht te hebben in de waarderingsmethode en het computerprogramma (indien gebruikt). Voor de toepassing van art. 40 lid 2 Wet WOZ is het niet relevant of de gebruikte gegevens noodzakelijk of nuttig zijn voor de waardebepaling, of dat X ook al in staat is de vastgestelde waarde met eerdere of gelijktijdig verstrekte informatie ter discussie te stellen. (...)Lees meer13 februari 2026
