Strijd met het beginsel van hoor en wederhoor
Volgens het hof volgt uit de gemaakte ‘no-cure-no-pay-afspraak’ dat X een vergoeding moet betalen. Dit baseerde het hof op algemene voorwaarden vermeld op de website van die gemachtigde. De Hoge Raad constateert dat deze algemene voorwaarden niet tot de stukken behoren. Het hof heeft kennelijk uit eigen beweging de website van de toenmalige gemachtigde geraadpleegd zonder partijen in de gelegenheid te stellen daarvan kennis te nemen en zich uit te laten. Dit is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Verwijzing moet volgen voor beoordeling van de vraag of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat aan de bijstand in bezwaar voor X geen kosten zijn verbonden. Art. 7:411 lid 1 BW, dat gelet op art. 7:400 lid 2 BW van regelend recht is, zou daarbij aan de orde kunnen komen. Voor dat geval verdient volgens de Hoge Raad opmerking dat het een opdrachtgever op grond van art. 7:408 lid 1 BW in beginsel te allen tijde vrijstaat om een overeenkomst van opdracht op te zeggen. Indien een opzegging door de opdrachtgever voortijdig is, moet worden beoordeeld of de opdrachtnemer op grond van art. 7:411 lid 1 BW aanspraak kan maken op gemist loon vanwege dat voortijdig einde van de overeenkomst. Dit geldt ook bij een ‘no-cure-no-pay-afspraak’. Het enkele feit dat partijen niet expliciet zijn overeengekomen dat bij voortijdige opzegging een vergoeding dient te worden betaald voor de werkzaamheden, is onvoldoende om het wettelijke uitgangspunt van art. 7:411 BW buiten werking te stellen.
Terug naar kennisbankDATUM:
13 februari 2026
ECLI:
ECLI:NL:HR:2026:235
ZAAKNUMMER:
24/00576
INSTANTIE:
Hoge Raad
