01 mei 2026
Formeel / Verlenging redelijk termijn wegens capaciteitsgebrek bij gemachtigde
Uitgangspunt is dat de berechting in eerste aanleg geschiedt binnen een redelijke termijn van 2 jaar, waarbij de duur van de bezwaarfase is inbegrepen, behoudens bijzondere omstandigheden. Daarvan is sprake in geval van procesgedrag dat tot een zodanige vertraging leidt dat het daarmee gemoeide tijdsverloop niet kan zijn verdisconteerd in de standaardtermijn van 2 jaar. De rechter dient bij het bepalen van bijzondere omstandigheden in beginsel slechts rekening te houden met het procesgedrag in die individuele zaak, en kan procesgedrag in andere zaken met een zaaksoverstijgend karakter betrekken. Een bijzondere omstandigheid rechtvaardigt verlenging van de redelijke termijn voor zover die verlenging in een redelijke verhouding staat tot het vertragende gedrag. Daarbij mag de rechter in de regel uitgaan van een schatting. (...)Lees meer01 mei 2026
Formeel / E-mailnotificaties geen vereiste voor bekendmaking
X heeft door het activeren van zijn MijnOverheid-account kenbaar gemaakt dat hij langs elektronische weg bereikbaar is voor het ontvangen van berichten in de berichtenbox (tekst Awb 2022). De invorderingsambtenaar kon de naheffingsaanslag daarom elektronisch aan X verzenden door de plaatsing in de berichtenbox (tekst Awb 2022). De verzending en ontvangst van een e-mailnotificatie zijn geen vereisten om te kunnen aannemen dat dit besluit is bekendgemaakt door verzending in de zin van art. 3:41 lid 1 Awb. Verzending van e-mailnotificaties vond slechts plaats indien de wens daartoe kenbaar werd gemaakt. Het systeem van digitale verzending was zodanig ingericht dat X zelf diende in te stellen dat dergelijke notificaties zouden worden verstuurd. (...)Lees meer24 april 2026
Parkeerbelastingen / Geen naheffing bij het niet (op de voorgeschreven wijze) doen van aangifte als geen belasting verschuldigd is
Parkeerbelasting wordt op grond de Verordening geheven door voldoening op aangifte. De te weinig geheven belasting kan ingevolge art. 20 AWR worden nageheven indien de belasting (gedeeltelijk) niet is betaald. Aangezien X onbestreden heeft gesteld dat zij niet langer dan twee uur heeft geparkeerd, was zij op grond van de Verordening geen parkeerbelasting verschuldigd. Daaraan kan niet afdoen dat zij bij de aanvang van het parkeren heeft nagelaten parkeerapparatuur in werking te stellen, aangezien de Verordening dit niet als voorwaarde stelt voor toepassing van de bijzondere regeling over parkeren gedurende de eerste twee uur. Omdat X geen parkeerbelasting was verschuldigd, kan in dit geval niet worden gezegd dat belasting die op aangifte behoort te worden voldaan (gedeeltelijk) niet is betaald. Gelet hierop, bestaat geen grond voor naheffing. Indien geen of niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan, kan op grond van art. 20 AWR geen naheffingsaanslag worden opgelegd indien geen belasting is verschuldigd.Lees meer24 april 2026
Formeel / Ruime beoordelingsvrijheid rechter bij matiging proceskostenvergoeding
Het hof is voor de hoogte van de proceskostenvergoeding op grond van art. 2 lid 2 en lid 3 Bpb afgeweken van het puntensysteem uit de Bijlage bij het Bpb. Daartoe is overwogen dat (i) toekenning van een vergoeding volgens dat puntensysteem de werkelijke in redelijkheid gemaakte kosten zou overtreffen, (ii) de benodigde werkbelasting voor de gemachtigde beperkt was door de eenvoud van de grief en doordat deze gemachtigde hetzelfde punt met een identieke grief in meerdere zaken aan de orde heeft gesteld, en (iii) het gaat om een puur financieel procesbelang van slechts € 50. Het hof heeft daarom aanleiding gezien om de vergoeding te matigen tot een bedrag van € 60. (...)Lees meer17 april 2026
Formeel / Rechterlijke bevoegdheid tot opvragen (nieuwe) machtiging
X stelt dat het hof geen grond had om een nieuwe machtiging te vragen die is gegeven na de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad overweegt dat een rechter op grond van art. 8:24, lid 2, Awb bevoegd is een dergelijke machtiging te vragen van een gemachtigde die geen advocaat is. Voor het opvragen van een machtiging is niet vereist dat de bestuursrechter in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of de vertegenwoordigingsbevoegdheid bestaat. Om te kunnen beoordelen of een schriftelijke machtiging is ondertekend door de volmachtgever, mag de bestuursrechter om legitimatie van deze persoon vragen. (...)Lees meer10 april 2026
