Bewijslast en ontvangstvermoeden bij betwiste e-mailontvangst door bestuursorgaan

Indien een bestuursorgaan stelt een e-mailbericht niet te hebben ontvangen, is het in beginsel aan X om aannemelijk te maken dat het bericht op het e-mailadres van de geadresseerde is ontvangen. De verzender kan daartoe volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste e-mailadres. Indien dergelijke verzending aannemelijk is, rechtvaardigt dat het vermoeden van ontvangst door de geadresseerde. Het ligt vervolgens op de weg van de geadresseerde om dit vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is het voldoende dat, op grond van wat hij aanvoert, de ontvangst redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Daartoe zal het bestuursorgaan er ten minste blijk van moeten geven dat het heeft onderzocht of het e-mailbericht op de dag van verzending het systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt. Bij een geslaagde ontzenuwing van het vermoeden, is de ontvangst slechts aannemelijk als de verzender daarvan nader bewijs levert. Indien de ontvangst niet aannemelijk wordt, ligt het op de weg van verzender aannemelijk te maken dat dit het gevolg is van aan de geadresseerde toe te rekenen omstandigheden. 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.