Ruime beoordelingsvrijheid rechter bij matiging proceskostenvergoeding

Het hof is voor de hoogte van de proceskostenvergoeding op grond van art. 2 lid 2 en lid 3 Bpb afgeweken van het puntensysteem uit de Bijlage bij het Bpb. Daartoe is overwogen dat (i) toekenning van een vergoeding volgens dat puntensysteem de werkelijke in redelijkheid gemaakte kosten zou overtreffen, (ii) de benodigde werkbelasting voor de gemachtigde beperkt was door de eenvoud van de grief en doordat deze gemachtigde hetzelfde punt met een identieke grief in meerdere zaken aan de orde heeft gesteld, en (iii) het gaat om een puur financieel procesbelang van slechts € 50. Het hof heeft daarom aanleiding gezien om de vergoeding te matigen tot een bedrag van € 60. De HR oordeelt dat de matiging geen blijkt geeft van een onjuiste opvatting. Indien de rechter besluit tot matiging van de proceskostenvergoeding op grond van art. 2 lid 2 of lid 3 Bpb, heeft hij een grote vrijheid bij het bepalen van de omvang van de vermindering. Hij behoeft die omvang niet afzonderlijk te motiveren. De rechter overschrijdt zijn vrijheid slechts als hij in redelijkheid niet tot een zo vergaande vermindering van de vergoeding mocht besluiten.  

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.