Verlenging redelijk termijn wegens capaciteitsgebrek bij gemachtigde

Uitgangspunt is dat de berechting in eerste aanleg geschiedt binnen een redelijke termijn van 2 jaar, waarbij de duur van de bezwaarfase is inbegrepen, behoudens bijzondere omstandigheden. Daarvan is sprake in geval van procesgedrag dat tot een zodanige vertraging leidt dat het daarmee gemoeide tijdsverloop niet kan zijn verdisconteerd in de standaardtermijn van 2 jaar. De rechter dient bij het bepalen van bijzondere omstandigheden in beginsel slechts rekening te houden met het procesgedrag in die individuele zaak, en kan procesgedrag in andere zaken met een zaaksoverstijgend karakter betrekken. Een bijzondere omstandigheid rechtvaardigt verlenging van de redelijke termijn voor zover die verlenging in een redelijke verhouding staat tot het vertragende gedrag. Daarbij mag de rechter in de regel uitgaan van een schatting. Voor het aannemen van een bijzondere omstandigheid geldt niet de voorwaarde dat de vertraging uitsluitend aan het gedrag van X en zijn gemachtigde is te wijten. Indien de vertraging is veroorzaakt door capaciteitsgebrek bij de gemachtigde, is dit aan te merken als een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.