11 maart 2024
Overig / Antwoorden Kamervragen Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft geantwoord op vragen over de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. Alle uitbetalingen die vanaf 1 januari 2024 worden gedaan, moeten aan de belanghebbenden worden gedaan, ongeacht of de zaak voor 2024 is aangebracht of de uitspraak waaruit die uitbetaling voortvloeit is gedaan voor 2024. De staatssecretaris ziet geen aanleiding om het overgangsrecht uit te breiden. De wetswijziging vindt voor het eerst toepassing op bezwaar tegen op of na 1 januari 2024 bekendgemaakte besluiten en op beroep, hoger beroep, verzet, beroep in cassatie tegen of een verzoek om herziening van na dat tijdstip bekendgemaakte uitspraken. Dat betekent dat (...)Lees meer08 maart 2024
Formeel / Relativiteitsvereiste bij een WOZ-beschikking van een woninghuurder
Het hof heeft overwogen dat het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Awb aan vermindering of verhoging van de WOZ-waarde in de weg staat, indien de indiener van het bezwaar of beroep geen direct financieel gevolg daarvan ondervindt. In dit geval is niet gebleken dat sprake is van een niet-geliberaliseerde woonruimte of dat X als huurder van de woning anderszins een direct financieel gevolg ondervindt bij een wijziging van de WOZ-waarde. De rechtsregel van art. 17 Wet WOZ strekt niet tot bescherming van het belang van X (nieuwsservice 2022, week 45). De A-G is van mening dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. (nieuwsservice 2023, week 41). De Hoge Raad oordeelt dat (...)Lees meer06 maart 2024
Formeel / Prejudiciële vragen vergoeding voor immateriële schade
X heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof onderschrijft de conclusies van de A-G, inhoudende dat de vergoeding voor immateriële schade in procedures over de WOZ en de bpm in beginsel moet worden vastgesteld op € 50 per half jaar, de vergoeding moet worden gemaximeerd op het pleitbare financiële belang bij de procedure en de bagatelgrens fors hoger moet worden gesteld dan € 15. Het hof acht echter de kans aanwezig dat de Hoge Raad in die zaak zich niet zal uitlaten over deze kwesties. Daarom stelt het hof in deze zaak een vijftal prejudiciële vragen. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat de Hoge Raad naar aanleiding van de vragen uitspraak heeft gedaan.Lees meer05 maart 2024
Formeel / Praktisch onmogelijk om op klein digitaal scherm een gelijkende paraaf te zetten
X stelt dat op grond van art. 8:94 lid 2 Awb geen griffierecht is verschuldigd voor een verzoek om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het hof overweegt dat de die uitzondering alleen geldt indien het verzoek wordt gedaan gedurende het hoger beroep over het schadeveroorzakende besluit. X is gewezen op de mogelijkheid dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het griffierecht niet (tijdig) is overgemaakt. De gemachtigde stelt dat hij de betalingsherinnering niet heeft ontvangen. De handtekening is niet van hem. (...)Lees meer01 maart 2024
Formeel / Conclusie A-G, geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor tariefverschil kostenvergoeding bezwaarfase
X klaagt er in cassatie over dat de rechtbank niet punt 1 (tarief: € 296) van onderdeel B2 van de bijlage bij het Bpb had moeten toepassen, maar punt 2 (tarief: € 597). A-G Koopman meent dat de besluitgever niet in redelijkheid mocht menen dat de belasting- en premiezaken en overige gevallen met oog op de toepassing van onderdeel B2 van de bijlage bij het Bpb niet als gelijke gevallen zijn aan te merken. De besluitgever heeft het onderscheid gebaseerd op de veronderstelling dat de kosten in belasting- en premiezaken voor de bezwaarfase (gemiddeld genomen) lager zijn dan het destijds vastgestelde forfaitaire tarief geldend voor overige zaken. (...)Lees meer01 maart 2024
