12 juli 2018
Formeel / Onkostenvergoeding onjuist vastgesteld
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en deze vastgesteld op € 246 (1 punt voor het beroepschrift, met een waarde van € 246 en een wegingsfactor 1). Lees meer12 juni 2018
Precariobelasting / Instemming met aanwijzing als netbeheerder is ook een (impliciete) aanwijzing
Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte als belastingplichtige is aangemerkt, omdat zij niet “de door de minister aangewezen netbeheerder" als bedoeld in de verordening is. Aan belastingplicht op grond van de verordening kan volgens belanghebbende ten aanzien van haar niet worden toegekomen, omdat zij op grond van art. 10 lid 9 Elektriciteitswet als netbeheerder is aangewezen en niet door de minister is aangewezen. Lees meer20 maart 2018
WOZ / Beschikking niet in strijd met Wet WOZ vastgesteld
Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak, een woon- / winkelpand. De heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaak voor 2014 vastgesteld. Belanghebbende meent dat de heffingsambtenaar de artikelen 16 en 17 Wet WOZ heeft geschonden, omdat de waarde van het woondeel met behulp van drie vergelijkingsobjecten is bepaald en de waarde van het winkeldeel op basis van de huurkapitalisatiemethode. (...) Lees meer20 maart 2018
WOZ / Waardering parkeerplaatsen
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van een appartement met twee parkeerplaatsen, die bestaan uit een met strepen aangeduid vak in een gezamenlijke garage, vastgesteld op € 748.500. Belanghebbende stelt een waarde van € 660.000. Belanghebbende stelt allereerst dat de heffingsambtenaar de waardebeschikking, de uitspraak op bezwaar en het verweerschrift onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarnaast stelt hij dat de vergelijkingsobjecten niet bruikbaar zijn. Tot slot stelt hij dat een te hoge waarde is toegekend aan de twee parkeerplaatsen bij zijn woning, en dat de berekening van de erfpachtcorrectie niet inzichtelijk is gemaakt. Het hof oordeelt dat de motivering niet zeer uitgebreid is, maar deze schiet niet zodanig te kort dat daaraan procedurele sancties verbonden zouden moeten worden. Ten aanzien van de vergelijkingsobjecten oordeelt het hof dat de door belanghebbende aangevoerde verschillen niet van dien aard zijn dat een vergelijking onmogelijk zou zijn. Belanghebbende heeft over de parkeerplaatsen betoogd, dat uit het feit dat de rechtbank de waarde van een parkeerplaats op € 25.000 heeft gesteld, volgt dat de waarde van de woning met € 20.000 verlaagd had moeten worden, omdat de taxateur de twee parkeerplaatsen bij de woning op € 35.000 per plaats heeft gewaardeerd. Volgens het hof miskent belanghebbende echter, dat de heffingsambtenaar de parkeerplaatsen van de vergelijkingsobjecten ook op € 35.000 heeft gewaardeerd. Die waardering is dan kennelijk ook onjuist. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten zijn echter een gegeven en het staat vast dat de kopers de koopprijzen hebben betaald voor de betreffende objecten, die steeds bestonden uit een woondeel en een parkeerplaats. (...)Lees meer08 maart 2018
Toeristenbelasting / Kennelijke en evidente vergissing van minimale omvang door rechtbank
Belanghebbende brengt in 2016 een bezoek aan Marken. Gelijktijdig met de parkeerbelasting is drie maal € 0,55 dagtoeristenbelasting in rekening gebracht. Belanghebbende meent dat ten onrechte dagtoeristenbelasting is gevorderd en maakt hiertegen bezwaar. Lees meer01 maart 2018
