Instemming met aanwijzing als netbeheerder is ook een (impliciete) aanwijzing
Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte als belastingplichtige is aangemerkt, omdat zij niet “de door de minister aangewezen netbeheerder" als bedoeld in de verordening is. Aan belastingplicht op grond van de verordening kan volgens belanghebbende ten aanzien van haar niet worden toegekomen, omdat zij op grond van art. 10 lid 9 Elektriciteitswet als netbeheerder is aangewezen en niet door de minister is aangewezen. De heffingsambtenaar van de gemeen-te Voorst betoogt dat art. 10 lid 10 en art. 12 lid 2 Elektriciteitswet 1998 inhouden dat de Minister dient in te stemmen met de aanwijzing van een lichaam als netbeheerder. De formu-lering aan het slot van de belastingplichtbepaling in de verordening dient volgens de heffings-ambtenaar in deze zin te worden begrepen. Dit volgt ook uit de toelichting op het voorstel dat heeft geleid tot het vaststellen van de verordening, omdat daarin belanghebbende als de potentiële belastingplichtige is aangemerkt, in de context waarvan belastingplichtigen als netwerkbeheerders zijn aangeduid.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende een “door de minister aangewezen netbeheerder” is als bedoeld in de verordening. Hetgeen omtrent instemming door de minister is bepaald in de door de heffingsambtenaar vermelde bepalingen uit de Elektriciteitswet 1998 vormt daartoe voldoende onderbouwing. Bovendien indiceert ook de toelichting op het voorstel dat heeft geleid tot het vaststellen van de verordening dat met “de door de minister aangewezen netbeheerder” belanghebbende is bedoeld. Overigens zou ook toepassing van het tweede lid van de belastingplichtbepaling in de verordening tot de conclusie leiden dat belanghebbende terecht als belastingplichtige is aangemerkt. De tekst van die bepaling biedt onvoldoende steun voor de lezing van belanghebbende, als zou deze uitsluitend betrekking hebben op gevallen waarin niet op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen (terwijl volgens belanghebbende zij wel op grond van artikel 10, negende lid, Elektriciteitswet als netbeheerder is aangewezen, zij het niet door de Minister). Naar het oordeel van het hof heeft het tweede lid het karakter van een vangnetbepaling, welke erin voorziet dat belangheb-bende de belastingplichtige is als degene die de kabels en/of leidingen onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, ook in het geval er – strikt geno-men – geen aanwijzing als netbeheerder door de minister zou zijn.
DATUM:
12 juni 2018
ECLI:
ECLI:NL:GHAMS:2018:2023
ZAAKNUMMER:
17/00265 en 18/00331
INSTANTIE:
Gerechtshof Amsterdam
