Kennelijke en evidente vergissing van minimale omvang door rechtbank

Belanghebbende brengt in 2016 een bezoek aan Marken. Gelijktijdig met de parkeerbelasting is drie maal € 0,55 dagtoeristenbelasting in rekening gebracht. Belanghebbende meent dat ten onrechte dagtoeristenbelasting is gevorderd en maakt hiertegen bezwaar. De heffingsambtenaar verklaart dit bezwaar niet-ontvankelijk, omdat belanghebbende volgens hem niet de belastingplichtige is en dus ook niet kan worden aangemerkt als belanghebbende.
De rechtbank oordeelt dat, op grond van de Verordening, de exploitant van het parkeerterrein als belastingplichtige voor de dagtoeristenbelasting moet worden aangemerkt. Aan hem wordt ook de aanslag dagtoeristenbelasting opgelegd. Dat de exploitant gebruik heeft gemaakt van zijn recht om de belasting te verhalen, brengt niet mee dat belanghebbende daarmee ook als belanghebbende moet worden aangemerkt. Dat de heffingsambtenaar de exploitant is en dus in feite zichzelf heeft aangewezen als belastingplichtige, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft het beroep vervolgens niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaarschrift terecht niet- ontvankelijk heeft verklaard, maar dat de rechtbank het beroep ongegrond had moeten verklaren. Dit is naar het oordeel van het hof echter een kennelijke en evidente vergissing van minimale omvang. Het hof herstel deze evidente vergissing, waardoor er ook geen recht bestaat op vergoeding van de door de - op no cure no pay basis werkende - gemachtigde gestelde werkelijke kosten van rechtsbijstand (die hij taxeert op € 2.964,50).
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.