Hoger tarief voor markt met gunstiger ligging
De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam heeft voor het innemen van een plaats op diverse markten marktgelden geheven. Voor één locatie is het basistarief hoger dan voor de andere markten. De rechtbank oordeelt dat de gemeenteraad met de tariefstelling de grenzen van de hem toekomende vrijheid niet heeft overschreden. De keuze om bij de indeling van tariefklassen uit te gaan van een beredeneerde schatting van de relatieve verdienpotentie van de markten binnen de categorie ‘dagmarkten centrum en 19e-eeuwse wijken’, is begrijpelijk en niet onredelijk (nieuwsservice 2022, week 33, ECLI:NL:RBAMS:2022:2198). Het hof bevestigt deze uitspraak en overweegt dat binnen de (nieuwe) kaders van de hoogste bestuursrechters een materieel terughoudende toetsing aan algemene rechtsbeginselen in de rede ligt als politiek-bestuurlijke afwegingen een rol spelen en sprake is van een beperkt ingrijpen in het leven van de belanghebbenden. Dat zal doorgaans zo zijn bij gemeentelijke belastingverordeningen, en in elk geval in deze zaak. Als het aankomt op een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel door de differentiatie in de tarieven van de marktgelden, dient niet te snel te worden geconcludeerd tot gelijke gevallen. Er is sprake van verschillende markten, op uiteenlopende locaties en met een ander koperspubliek. Het hof vindt dat de gemeente een redelijke inschatting heeft gemaakt op basis van de verdienpotentie. Het verschil in tarief leidt dan ook niet tot strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Terug naar kennisbankDATUM:
17 januari 2023
ECLI:
ECLI:NL:GHAMS:2023:156
ZAAKNUMMER:
22/00390
INSTANTIE:
Gerechtshof Amsterdam
