20 juni 2024Fiscaal advies

De Hoge Raad scherpt regels immateriële schadevergoeding aan

Robert Duits

Fiscaal adviseur lokale belastingen

In een aantal columns (april 2023, december 2023) heb ik geschreven over de maatregelen in het kader van de problematiek met betrekking tot no cure, no pay (ncnp)-bureaus. In de column van december is verwezen naar de conclusie van A-G Wattel (ECLI:NL:PHR:2023:1042), waarin deze concludeerde dat bij de beoordeling of sprake is van een zeer gering financieel belang (€ 15 of minder) de inzet om teruggaaf van het griffierecht, de claim om proceskostenvergoeding (PKV) en de immateriële schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn (ISV) niet dient te worden meegenomen. De A-G deed in deze conclusie tevens een aantal algemene beschouwingen over vergoeding van veronderstelde ISV in WOZ- en bpm-zaken. Zo leek het hem wenselijk dat de bagatelgrens waarbeneden geen spanning en frustratie kan worden voorondersteld, aanzienlijk hoger zou moeten worden gesteld dan € 15.

Afgelopen vrijdag heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in deze zaak (ECLI:NL:HR:2024:853). De Hoge Raad ziet aanleiding tot gedeeltelijke aanpassing van de regels uit zijn rechtspraak over de ISV, omdat in sterk toenemende mate belastingprocedures over een belang van meer dan € 15 worden gevoerd, in de hoop en verwachting een ISV en PKS te krijgen vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. In deze ontwikkeling ziet de Hoge Raad aanleiding voor een aanpassing en de hoogte van het bedrag voortaan aanzienlijk hoger vast te stellen.

Onder verwijzing naar eerdere uitspraken herhaalt de Hoge Raad dat bij de vaststelling van het financiële belang geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen die verband houden met het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures. Dat betreft bijvoorbeeld beslissingen over PKV, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade, en beslissingen over de verschuldigdheid van een dwangsom bij niet tijdig beslissen.

Er is volgens de Hoge Raad bovendien voortaan sprake van een bijzondere omstandigheid, waarbij mag worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie heeft geleid, als het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. De belastingrechter kan dan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (en dan wordt er dus geen ISV toegekend).

Als het financiële belang minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, dan moet de belastingrechter op een verzoek om ISV volgens de Raad beslissen naar bevind van zaken. Daarbij staat het de rechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Wel is er sprake van overgangsrecht in de zin dat de wijzigingen niet gelden als voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade is verzocht, en de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure op de datum van het arrest is overschreden.

Voor zover niet aan de nieuwe criteria is voldaan en er wel aanleiding is om een ISV toe te kennen, dan bedraagt deze € 500,- per half jaar dat de termijn is overschreden. Het lagere tarief van € 50,- in WOZ- en BPM-zaken is door het overgangsrecht bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm immers alleen van toepassing op vergoedingen waarvan de termijn begint na 1 januari 2024. Daardoor zal het dus nog wel een tijd duren voordat de Hoge Raad een uitspraak zal doen over de lagere vergoeding.

Nu is er echter niet alleen maar goed nieuws te melden over de ISV. In een arrest van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:775) heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak waarbij Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2023:1691) had geoordeeld dat er sprake was van bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning en frustratie bij de desbetreffende belang (en dus ook geen ISV). Dit omdat bij voorbaat was overeengekomen dat alle proceskostenvergoedingen, dwangsommen en/of schadevergoedingen die worden uitbetaald aan de gemachtigde toekomen en in mindering worden gebracht op de vergoeding die de gemachtigde aan belanghebbende in rekening brengt voor de verleende rechtsbijstand. Bovendien was het totaalbedrag van de uiteindelijk door toegekende vergoedingen gelijk aan de vergoeding die de gemachtigde in rekening mag brengen (waardoor belanghebbende per saldo niets betaalt), en werden beide bedragen met gesloten beurzen verrekend.

De Hoge Raad is het niet eens met het Hof en oordeelt dat bovengenoemde omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende moet worden geacht geen of minder spanning en frustratie te hebben ervaren als gevolg van de lange duur van de procedure. Dat belanghebbende bij voorbaat een beslissing heeft genomen over de besteding van de eventuele vergoeding, betekent volgens de Raad niet dat hij geen immateriële schade zal lijden. Ook de omstandigheid dat belanghebbende er bij voorbaat mee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding in mindering wordt gebracht op de vergoeding die de gemachtigde aan hem in rekening zal brengen, kan niet tot de conclusie leiden dat daarmee van het recht op de vergoeding van immateriële schade wordt afgezien.

Overigens was de uitkomst van de deze procedure wel te verwachten, aangezien in 2017 al door de Hoge Raad is uitgemaakt dat een 'no cure no pay’-afspraak met een rechtsbijstandverlener geen belemmering vormt om een ISV wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen. (ECLI:NL:HR:2017:965)

Om deze column nog met een vrolijke noot te eindigen, nog het volgende. De per 1 januari doorgevoerde maatregelen lijken wel bij te dragen aan vermindering van het aantal WOZ-bezwaren. Waar in 2023 nog sprake was van 599.000 woningen waartegen bezwaar is ingediend, zijn dit er in 2024 volgens de Waarderingskamer 325.000 (ANP). Het aantal bezwaren dat door ncnp-bureaus is ingediend, is gedaald van 305.000 naar 166.000. Of dit alleen het gevolg is van de aangepaste wetgeving is niet met zekerheid te stellen. Maar dat sprake is van een opvallende daling kan niet worden ontkend.

Mijn column van april 2023 heb ik afgesloten met de conclusie dat de destijds voorgestelde maatregelen mij nog niet meteen in een jubelstemming gebracht hebben. Ook bij de definitieve wetgeving heb ik in de column van december 2023 een aantal kanttekeningen geplaatst. Alhoewel het nog veel te vroeg is om definitieve conclusies te trekken - en de Hoge Raad zich ook nog over een aantal doorgevoerde maatregelen zal moeten uitspreken - lijken de maatregelen dus in het eerste gezicht dus wel succesvol te zijn in het terugdringen van het aantal bezwaren.
 

Robert Duits

Fiscaal adviseur lokale belastingen

Ruim 20 jaar werkzaam in de Wet WOZ en de lokale belastingen. Gespecialiseerd in de Wet WOZ, rioolheffing, verblijfsbelastingen, ondernemersfondsen en kostentoerekeningen.

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.