Grafrecht voor bepaalde tijd
De gemeente Krimpenerwaard heeft besloten de uitgiftetermijn voor een graf te verlengen met 5 jaar. X stelt echter dat sprake is van een uitsluitend grafrecht voor onbepaalde tijd.
De rechtbank stelt vast dat het particuliere graf bij de begrafenis in 1980, nieuw is uitgegeven en dat op deze datum Verordeningen van kracht waren waarin niet voorzien was in uitgifte van eeuwigdurende graven of van graven voor onbepaalde tijd. Voorts is uit de aanwezige gegevens in het begraafboek en de computerregistratie gebleken dat sprake is van een koopgraf voor 30 jaar. Er is dan ook geen sprake van een eeuwigdurend recht, dan wel een graf voor onbepaalde duur.
Ten aanzien van het ontbreken van een authentieke overeenkomst overweegt de rechtbank dat de verplichting om een grafakte op te maken pas per 1 juli 1991 in de wet is gekomen. Nu het grafrecht voor deze datum is verstrekt, doet het ontbreken van de authentieke overeenkomst aan het voorgaande niet af.
Ten aanzien van de stelling van X dat, nu de heffingsambtenaar de benodigde zorgvuldigheid die bij het aflopen van (uitsluitende) grafrechten dient te worden betracht niet in acht heeft genomen, op grond van het verbintenissenrecht een recht voor onbepaalde tijd is ontstaan, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtsverhouding tussen de gemeente en X wordt beheerst door de relevante bepalingen van de Wet op de lijkbezorging en de van toepassing zijnde verordeningen. Een uitsluitend recht voor bepaalde duur komt eenvoudigweg tot een einde bij het einde van de bepaalde duur en eindigt derhalve van rechtswege. In dit kader heeft de heffingsambtenaar terecht verwezen naar de uitspraak van de Raad van State van 12 november 1998 (ECLI:NL:RVS:1998:AP6300). Op basis van art. 28 lid 1 Wet op de lijkbezorging, vervalt het uitsluitend grafrecht voor bepaalde tijd na afloop van de duur daarvan. De enkele omstandigheid dat niet is voldaan aan het tweede lid, van art. 28 Wet op de lijkbezorging, omdat X niet (tijdig) is bericht over het verstrijken van de termijn van het eerste lid, betekent niet dat hierdoor (automatisch) een recht voor onbepaalde tijd is ontstaan. Zodanige aanspraak kan ook niet worden ontleend aan het verbintenissenrecht en evenmin aan het rechtszeker-heidsbeginsel.
DATUM:
05 december 2019
ECLI:
ECLI:NL:RBDHA:2019:13279
ZAAKNUMMER:
SGR 19/335
INSTANTIE:
Rechtbank Den Haag
