Beroep op opbrengstlimiet faalt
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant heeft aan belanghebbende een aanslag zuiveringsheffing van het Waterschap Aa en Maas opgelegd. Belanghebbende stelt dat het opbrengstlimiet in 2016 is overschreden. Volgens haar dient de heffingsambtenaar inzicht in de ramingen van baten en lasten te verschaffen, omdat zij de overschrijding van de opbrengstlimiet uitdrukkelijk aan de orde heeft gesteld.
De rechtbank overweegt dat het arrest van 24 april 2009 (ECLI:NL:HR:2009: BI1968) van toepassing is. De heffingsambtenaar heeft met wat hij heeft overgelegd inzicht in de ramingen van de baten en de “lasten ter zake” verschaft. Belanghebbende heeft niet in twijfel getrokken dat één of meer posten als “last ter zake” kan (kunnen) worden aangemerkt of dat een bate (volledig) in de ramingen is betrokken. Hierdoor wordt niet toegekomen aan de overige eisen aan de door de heffingsambtenaar gegeven motivering voor zijn betwisting van de opbrengstlimietoverschrijding. De regels in HR 24 april 2009 laten onverlet dat de bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding op de belanghebbende rust (vgl. ECLI:NL:HR:2014:777). Met wat belanghebbende heeft aangevoerd, heeft zij niet aan deze bewijslast voldaan. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat in het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet pas dan plaats is voor een correctie van de omvang van de volgens de begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien verweerder deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen. Belanghebbende heeft geen feiten gesteld die, indien aannemelijk bevonden, het oordeel kunnen dragen dat hiervan bij de ramingen van de baten en lasten voor 2016 sprake was.
DATUM:
27 mei 2019
ECLI:
ECLI:NL:RBOBR:2019:2955
ZAAKNUMMER:
18/1950
INSTANTIE:
Rechtbank Oost-Brabant
