Echtgenoot niet meer aangemerkt als belastingplichtige na verhuizing
Belanghebbende is getrouwd met A en woonde op 1 januari 2016 samen in de woning waarvoor door de heffingsambtenaar van GBLT een aanslag zuiveringsheffing aan A is opgelegd. De aanslag is aan A opgelegd, omdat hij in het verleden heeft verzocht om als heffingsplichtige aangemerkt te worden. Gedurende 2016 zijn belanghebbende en A verhuisd naar een woning in een andere straat van dezelfde plaats. Daarna heeft de heffingsambtenaar de aan A opgeleg-de aanslag verminderd en voor het verminderde bedrag een aanslag opgelegd aan belanghebbende, als oudste bewoner. De heffingsambtenaar heeft er daarbij rekening mee gehouden dat belanghebbende vanaf de inschrijving van de verhuizing in het BRP heffingsplichtig is.
Het hof oordeelt dat, ondanks dat de potentiële belastingplichtigen niet wijzigden, toch een wijziging in de heffingsplicht heeft plaatsgevonden, omdat belanghebbende en A het verzoek om A als heffingsplichtige aan te merken voor de oude woning, niet herhaald hebben voor de nieuwe woning. Volgens de (toelichting op de) verordening kan worden gesteld dat in dit dat geval sprake is van het eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de heffingsplicht. Daarom volgt het hof de heffingsambtenaar in zijn uitleg dat een nieuwe aanslag enkel achterwege kan blijven als de heffingplichtige ongewijzigd blijft. Daarbij geldt dat de aanwijzing van A als heffingsplichtige is gebaseerd op een eigen verzoek, en dit verzoek niet automatisch kan worden geacht te zijn gedaan voor een andere woonruimte.
DATUM:
13 november 2018
ECLI:
ECLI:NL:GHARL:2018:9877
ZAAKNUMMER:
17/01137
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
