Indeling in klasse 8 niet onredelijk
Belanghebbende exploiteert een groothandel in aardappelen, groente en fruit (AGF-producten). Ongeveer 75% van de bedrijfsactiviteiten bestaat uit verkoopactiviteiten en de overige 25% uit het bewerken van AGF-producten, waaronder het wassen van prei en sla. Voor het vaststellen van de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten kan de groothandel gezien de verdeling van de bedrijfsactiviteiten niet in zijn geheel worden ingedeeld in de categorie ‘groentewasserijen’ (klasse 7). Aangezien er geen gescheiden afvalwaterstromen zijn, kan evenmin een gedeelte van de groothandel in de categorie ‘groentewasserij’ vallen. Nu ‘groothandel’ niet voorkomt in de tabel met bedrijfscategorieën heeft de heffingsambtenaar van BWB belanghebbende terecht ingedeeld in de zogenaamde restcategorie (klasse 8).
Voor zover de gemachtigde van belanghebbende heeft willen betogen dat de indeling van de groothandel in klasse 8 onredelijk is, omdat een groothandel minder vervuiling oplevert dan een groentewasserij, oordeelt de rechtbank als volgt. Een indeling naar soort bedrijfsruimte (of een onderdeel daarvan) ter vaststelling van de vervuilingswaarde is op zichzelf aanvaardbaar. Dit is slechts anders indien de uitwerking hiervan leidt tot resultaten die de wetgever met het bepaalde in art. 122k Waterschapswet niet voor ogen kan hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat dat zo is. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de coëfficiënt die behoort bij klasse 8 het huishoudelijk en daarmee vergelijkbaar afvalwater representeert. Dit lijkt een vergelijkbare soort afvalwater als die van een groothandel. Verder volgt uit de wetsgeschiedenis dat de afvalwatercoëfficiënten overeenkomen met de geconcentreerdheid van het afvalwater zoals dat uit de praktijk bekend is.
DATUM:
14 februari 2017
ECLI:
ECLI:NL:RBZWB:2017:900
ZAAKNUMMER:
16/1845
INSTANTIE:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
