Herstel foutieve objectafbakening en navorderingsaanslagen

De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam heeft een waardebeschikking afgegeven voor een (kantoor)gebouw dat op 1 januari 2003 in aanbouw was. Hierbij is de heffingsambtenaar uitgegaan van 27 WOZ-objecten. Bij uitspraak op bezwaar is het (kantoor)pand als 1 WOZ object aangemerkt. De aanslagen zijn ambtshalve verminderd tot nihil. De heffingsambtenaar heeft een nieuwe beschikking afgegeven voor het (kantoor)gebouw als één WOZ-object. Aansluitend zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen opgelegd.
Voor het hof was in geschil of de heffingsambtenaar bevoegd was de navorderingsaanslagen op te leggen. Het hof heeft die vraag bevestigend beantwoord en overwogen dat artikel 18a van de AWR ook van toepassing is bij een beschikking op grond van artikel 25 van de Wet WOZ.
Bij de beoordeling moet worden vooropgesteld dat indien meerdere waardebeschikkingen worden vernietigd en vervangen door één beschikking omdat er aanvankelijk ten onrechte meerdere onroerende zaken waren onderscheiden, de wettelijke grondslag van de vervangen-de waardebeschikking dezelfde is als die van de vernietigde waardebeschikkingen. Als op deze wijze beschikkingen worden vervangen die op de voet van artikel 22 van de Wet WOZ waren genomen, geldt dat ook de vervangende beschikking berust op artikel 22 van de Wet WOZ.
In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de oorspronkelijk opgelegde beschikkingen op grond van artikel 25 van de Wet WOZ zijn opgelegd, omdat door de bouw van het kantoorpand een wijziging was opgetreden als bedoeld in artikel 19, tweede lid, letter b, van de WOZ. De vervangende waardebeschikking berust daarom ook op artikel 25 van de Wet WOZ.
Voor de toepassing van artikel 18a van de AWR is het echter niet van belang of beschikkingen op grond van artikel 22 dan wel op grond van artikel 25 van de Wet WOZ zijn vervangen. Op beide situaties is van toepassing hetgeen is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003 (LJN AD6058/Schiphol).
Aanslagen OZB die zijn vastgesteld op basis van de onjuiste waardebeschikkingen - zodat ook daarbij van een onjuiste objectafbakening is uitgegaan - gelden als ten onrechte vastgestelde aanslagen in de zin van artikel 18a, eerste lid, van de AWR en zullen door de heffingsambtenaar ook moeten worden vernietigd. Het hof heeft vastgesteld dat die aanslagen in plaats van vernietigd tot nihil zijn verminderd, maar vervolgens heeft het hof - met juistheid - geoordeeld dat zo’n vermindering met een vernietiging op één lijn moet worden gesteld.
Als de termijn van artikel 11, derde lid, van de AWR is verstreken, kan naar aanleiding van een voor het juist afgebakende object gegeven nieuwe waardebeschikking de te weinig geheven belasting worden nagevorderd op de voet van artikel 18a, derde lid, van de AWR.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.