Vertrouwen gewekt door eerdere ontheffing
In 1999 is namens de gemeente Rotterdam aan belanghebbende, na zijn verzoek tot ontheffing reinigingsrecht bedrijven, meegedeeld dat het verzoek wordt ingewilligd. Hierbij is het recht voorbehouden met onmiddellijke ingang het Reinigingsrecht Bedrijven in rekening te brengen indien er geconstateerd wordt dat er bedrijfsmatig afval wordt aangeboden. De heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam heeft t.a.v. een voor 2006 opgelegde aanslag (ambtshalve) overwogen dat ten onrechte een aanslag aan belanghebbende is opgelegd en heeft deze aanslag vernietigd. Voor 2016 is opnieuw een aanslag opgelegd.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende aan de ontheffing in 1999 en het daarna door de heffingsambtenaar gedurende een groot aantal jaren achterwege laten van aanslagen gerechtvaardigd het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat daaraan een bewuste standpuntbepaling ten grondslag lag. Belanghebbende heeft dit mogen opvatten als een doorlopende ontheffing. Daar komt nog bij dat ook de uitspraak op het bezwaar tegen de voor 2006 opgelegde aanslag bij belanghebbende de indruk heeft kunnen wekken dat daaraan een bewuste standpuntbepaling aan ten grondslag lag. Belanghebbende heeft die uitspraak redelijkerwijs mogen opvatten als de aanvaarding van zijn standpunt dat hij niet in de heffing zou worden betrokken. Uit de bij het bezwaarschrift tegen de aanslag 2006 gevoegde stukken heeft de rechtbank niet kunnen opmaken dat deze sloegen op het ophalen van bouw- en sloopafval van de eigen woning van belanghebbende en niet op het adres van het bedrijf. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende het adres gebruikt(e) als correspondentie- en factuuradres, ook voor bedrijfsaangelegenheden. De aan de uitspraak op bezwaar ten grondslag liggende standpuntbepaling van de heffingsambtenaar is daarmee niet zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende redelijkerwijs de onjuistheid ervan had moeten beseffen. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt.
DATUM:
23 januari 2018
ECLI:
ECLI:NL:RBROT:2018:401
ZAAKNUMMER:
17/2157 t/m 17/2159
INSTANTIE:
Rechtbank Rotterdam
