Recreatiewoningen zijn aan te merken als woning
Belanghebbende is eigenaar en exploitant van een recreatiepark met 70 recreatiechalets en 133 onroerende recreatiecaravans, met eigen faciliteiten en voorzieningen zoals badkamer, kookgelegenheid en sanitair. Het park is ingevolge artikel 16, letter e, van de Wet WOZ als één onroerende zaak aangemerkt. De rechtbank heeft geoordeeld dat een onroerende zaak zowel voor de gebruikersheffing als voor de eigenarenheffing slechts (in hoofdzaak) tot woning dient als deze bestemd is voor permanente bewoning door de feitelijke gebruiker. Permanente bewoning van de recreatiewoningen is op grond van de gemeentelijke voorschriften niet toegestaan. Deze woningen zijn daarom niet bestemd voor permanente bewoning, zodat ze niet als woning kunnen worden aangemerkt, aldus de rechtbank.
De Hoge Raad overweegt dat dergelijke recreatiewoningen blijkens de faciliteiten en voorzieningen bestemd zijn om daarin te verblijven, te slapen en de overige woonfaciliteiten en voorzieningen te gebruiken. De recreatiewoningen zijn aldus op zichzelf beschouwd naar aard en inrichting zowel bestemd als geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen. Zij zijn daarom aan te merken als woning. Dat permanente bewoning ingevolge gemeentelijke voorschriften niet is toegestaan, brengt geen wijziging in de aard en de in-richting, en daarmee de bestemming van de woning (vgl. HR 2 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5609). Dit vindt ook bevestiging in de parlementaire toelichting bij de invoering van tariefdifferentiatie in artikel 220f van de Gemeentewet. Daarin is vermeld dat recreatiewoningen vallen onder het begrip woning in die bepaling (Kamerstukken II 1996/97, 25037, nr. 3, blz. 20). De mogelijkheid van permanente bewoning is daarbij niet als eis gesteld.
DATUM:
16 september 2016
ECLI:
ECLI:NL:HR:2016:2085
ZAAKNUMMER:
15/05193
INSTANTIE:
Hoge Raad
