Dwangsom verschuldigd na ingebrekestelling via e-mail
Belanghebbende heeft de auto digitaal voor het parkeren aangemeld voor de verkeerde zone. De heffingsambtenaar van de gemeente Wageningen heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 62,60, bestaande uit € 1,60 parkeerbelasting en € 61 kosten. Gemachtigde van belanghebbende heeft door middel van e-mail bezwaar ingediend en tevens via e-mail correspondentie gevoerd over onder andere ingebrekestelling wegens niet tijdig beslissen op bezwaar.
De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling is ingediend na afloop van de beslistermijn, en dat belanghebbende er onder de geldende omstandigheden op mocht vertrouwen dat een ingebrekestelling per e-mail kon plaatsvinden. De ingebrekestelling is daarmee geldig. Omdat de heffingsambtenaar niet alsnog uitspraak heeft gedaan binnen de gestelde termijn is ook het ingestelde beroep ontvankelijk en gegrond. Het verweer van de heffingsambtenaar dat hij juist coulant is geweest in zijn termijnen, maar de gemachtigde daarop niet heeft gereageerd, treft geen doel. De vertraging is niet alleen aan de gemachtigde te wijten, maar ook aan de heffingsambtenaar zelf door twee maal vrij lang geen actie te ondernemen. De heffingsambtenaar is de maximale dwangsom van € 1.260 verschuldigd.
De rechtbank vult de rechtsgronden aan door aan te nemen dat gemachtigde een beroep wilde doen op art. 20 AWR en verlaagt de naheffingsaanslag tot € 0,20 voor de parkeerbelasting plus € 61 voor de kosten. De heffingsambtenaar wordt door deze aanvulling wellicht verrast, omdat hij hier tijdens de zitting niet op kon reageren. Toch heeft de rechtbank hier vanwege proces-economische redenen voor gekozen, omdat het beroep toch al gegrond was door de dwangsom en omdat de verlaging van de aanslag een heel klein bedrag betreft. Bovendien hoopt de rechtbank hiermee te voorkomen dat gemachtigde namens belanghebbende in hoger beroep gaat en op deze grond gelijk krijgt, met de bijbehorende extra proceskostenvergoeding.
DATUM:
21 augustus 2018
ECLI:
ECLI:NL:RBGEL:2018:3622
ZAAKNUMMER:
AWB 18/1366
INSTANTIE:
Rechtbank Gelderland
