Heffingsambtenaar mag via e-mail termijn bieden om gronden aan te vullen
Aan belanghebbende is door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB) een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. De gemachtigde van belanghebbende heeft hiertegen bij brief per post pro forma bezwaar gemaakt. Op dezelfde dag heeft de gemachtigde het pro forma bezwaarschrift ook per e-mail verzonden aan het team Belastingen van de gemeente Breda die het vervolgens heeft doorgestuurd aan de heffings-ambtenaar van BWB. Deze heeft bij brief per post een ontvangstbevestiging verstuurd. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar tweemaal een e mailbericht verzonden naar gemachtigde met het verzoek om de gronden waarop het bezwaar berust kenbaar te maken binnen de daarvoor gestelde termijn. Op deze e-mails is niet gereageerd waardoor de gronden van het bezwaar niet zijn aangevuld. De gemachtigde heeft de heffingsambtenaar vervolgens bij brief in gebreke gesteld. In de, per post verzonden, uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende de gronden waarop het bezwaar berust niet heeft aangevuld. De gemachtigde van belanghebbende stelt dat hij niet kenbaar heeft gemaakt dat hij ter zake van de onderhavige bezwaarprocedure bereikbaar is op het e-mailadres.
Naar het oordeel van het hof is voldaan aan de voorwaarde van art. 2:14 lid 1 Awb voor het toezenden van berichten via de elektronische weg, doordat de gemachtigde kenbaar heeft gemaakt dat hij voldoende bereikbaar is op het e-mailadres. Het feit dat de gemachtigde het pro forma bezwaarschrift per e-mail heeft verzonden naar het team Belastingen van de gemeente Breda is aan te merken als een feit dat duidt op voldoende bereikbaarheid via dit door gemachtigde gebruikte e-mailadres. Dit beeld wordt volgens het hof versterkt doordat de gemachtigde het desbetreffende e-mailadres heeft vermeld in diverse stukken die hij in procedures van andere belanghebbenden heeft ingediend gedurende een periode waarbinnen ook de e mails van de heffingsambtenaar zijn verzonden. Het hof acht aannemelijk dat de heffingsambtenaar de e-mailberichten verzonden heeft naar het e-mailadres van gemachtigde en dat deze berichten ook ontvangen zijn op dit e-mailadres. De blote ontkenning door belanghebbende en gemachtigde dat deze e-mailberichten verzonden zijn, is onvoldoende om dit vermoeden te ontzenuwen. Het hof acht aannemelijk dat de heffingsambtenaar bevoegd was om belanghebbende via de elektronische weg een termijn te bieden om de gronden waarop het bezwaar berust aan te vullen. De in gebreke stelling is prematuur en niet geldig, omdat de heffingsambtenaar gedurende de periode waarin de termijn om op het bezwaar te beslissen was opgeschort, in gebreke werd gesteld. Tot slot kon de heffingsambtenaar op grond van art. 7:3, aanhef en onderdeel a Awb afzien van het horen van belanghebbende.
DATUM:
13 april 2018
ECLI:
ECLI:NL:GHSHE:2018:1591
ZAAKNUMMER:
17/00534
INSTANTIE:
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
