Begunstigende regeling ten onrechte niet toegepast

Belanghebbende exploiteert een kartonfabriek en loost op oppervlaktewater. Voorts wordt procesafvalwater dat niet voldoet aan de lozingseisen geloosd op de rwzi. De rechtsvoorganger van waterschap Noorderzijlvest heeft een meetbeschikking vastgesteld. Naar aanleiding van de verschillen tussen de door belanghebbende verstrekte en de door het waterschap geconstateerde vervuilingswaarden is besloten een nader onderzoek in te stellen. Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor 1.168 v.e.. De heffingsambtenaar heeft de aangifte niet gevolgd en heeft de aanslag berekend naar 1.787 v.e..
Het hof acht aannemelijk dat de geconstateerde problemen met betrekking tot de kwaliteit van de meetapparatuur van belanghebbende tot zodanig onzuivere meetresultaten hebben geleid, dat deze terzijde dienen te worden gesteld. Zij zijn van minder gewicht dan de door de heffingsambtenaar overgelegde meetgegevens.
Voorts is in geschil of belanghebbende ook recht heeft op aftrek van de vervuilingswaarde van het ingenomen oppervlaktewater voor zover dit water – na gebruik in het bedrijf – niet rechtstreeks is geloosd op oppervlaktewater, maar op de rwzi, die dit afvalwater na zuivering ervan vervolgens op oppervlaktewater loost. Het hof verwerpt de stelling van de heffingsambtenaar dat het toepassen van de aftrekregeling in strijd zou zijn met de strekking van de WVO. Ten onrechte stelt de heffingsambtenaar dat per saldo geen heffing verschuldigd zou zijn in de situatie waarin de rwzi het aangeboden afvalwater zou reinigen tot aan de vervuilingswaarde van het door de belastingplichtige ingenomen afvalwater. De belastingplichtige wordt immers mede in de heffing betrokken voor het brengen van afvalstoffen op een zuiveringstechnisch werk en wordt daarbij belast voor de vervuilingswaarde van de op het zuiveringstechnisch werk geloosde afvalstoffen, vóór de reiniging ervan door dat werk. De omstandigheid dat het waterschap bij rechtstreekse lozing op het oppervlaktewater geen (directe) kosten maakt en bij lozing op de rwzi wel, doet evenmin af aan de hiervoor getrokken conclusie. Het (rechtstreeks) ter zake van de lozing maken van kosten door het waterschap is immers niet als uitsluitingsgrond opgenomen in de begunstigende regeling.
Het hof verklaart het beroep gegrond en berekent de aanslag naar 1.677 v.e..

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.