Geen bezwaar mogelijk tegen besluit op verzoek ex artikel 40 Wet WOZ

Op verzoek van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Utrecht gegevens verstrekt over twee WOZ-objecten. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard. Het hof heeft geoordeeld dat de beslissing van de heffingsambtenaar over belanghebbendes verzoek om informatie, is genomen op de voet van artikel 40 van de Wet WOZ. Deze beslissing betreft niet een ingevolge de belastingwet genomen besluit als bedoeld in artikel 26 van de AWR, omdat de waardering niet aan de orde is. Op grond van artikel 8:1 van de Awb is naar het oordeel van het hof de algemene bestuursrechter hier bevoegd. Daaraan kan niet afdoen dat de gevraagde informatie wellicht een rol zou kunnen spelen in een procedure over een belastingaanslag, die niet tot de competentie van de algemene bestuursrechter behoort. Het hof heeft zich daarop onbevoegd verklaard.
De Hoge Raad overweegt dat artikel 40 van de Wet WOZ (tekst tot 1 oktober 2016) ertoe strekt dat degene te wiens aanzien een waardebeschikking is genomen bepaalde waardegegevens kan verkrijgen, waarover hij wenst te beschikken om de juistheid van die waardebeschikking te kunnen controleren (vgl. HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2326). De beoordeling van de vraag of een heffingsambtenaar naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek heeft voldaan aan zijn in artikel 40 Wet WOZ neergelegde verplichting tot openbaarmaking, dient plaats te vinden in de procedure tegen die waardebeschikking (vgl. RvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2326). Voor die procedure is de belastingrechter de bevoegde rechter (artikel 30 Wet WOZ). Gelet op deze, door de wetgever beoogde en normaliter aanwezige, samenhang tussen een besluit op een verzoek in de zin van artikel 40 van de Wet WOZ en de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak op grond van die wet, moet worden aangenomen dat ook het eerstbedoelde besluit, in aansluiting op het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de Wet WOZ, is gelijk te stellen met een ingevolge de belastingwet genomen besluit. Dat geldt ook als een belanghebbende niet is opgekomen tegen een hem betreffende waardebeschikking, maar wel een verzoek heeft gedaan als bedoeld in artikel 40 van de Wet WOZ. Als de belanghebbende tegen het besluit op zo’n verzoek bezwaar maakt, dient de heffingsambtenaar dat bezwaar bij uitspraak niet ontvankelijk te verklaren. In de wet is immers niet voorgeschreven dat die beslissing door de heffingsambtenaar wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking. De belastingrechter en niet de algemene bestuursrechter is bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de uitspraak die de heffingsambtenaar op een zodanig bezwaar heeft gedaan (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797). Het hof heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.