Verkeerd kenteken ingevoerd, aannemelijk dat toch is betaald
Belanghebbende voert aan dat hij de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan. Hij heeft slechts geweigerd zijn kentekengegevens in te voeren bij het doen van de aangifte, omdat hij de registratie en de opslag hiervan beschouwt als een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn onder andere in artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op zijn privéleven. Belanghebbende stelt een ander kenteken te hebben ingevoerd.
Bij de beoordeling van het geschil wijst de rechtbank op de uitspraak van dezelfde rechtbank van 7 mei 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:2631). De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam heeft – evenals in de zaak die ten grondslag lag aan het in voornoemde uitspraak aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1997 (ECLI:NL:HR:1997:AA3200) – met toepassing van artikel 234, tweede lid, van de Gemeentewet voorschriften neergelegd in het Uitvoerings- en Aanwijzingsbesluit ter facilitering van de controle en handhaving. De daarin opgenomen verplichting tot het invoeren van het juiste kenteken heeft echter, gelet op de redactie van artikel 234 van de Gemeentewet, uitsluitend betrekking op het doen van aangifte voor parkeerbelasting. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar daarom niet in zijn betoog dat aan het niet-naleven van het voorschrift het rechtsgevolg dient te worden verbonden dat niet rechtsgeldig is betaald. Het niet, niet volledig of onjuist invoeren van het kenteken van de auto waarmee wordt geparkeerd, doet niet af aan het in artikel 20 van de AWR neergelegde beginsel dat ter zake van een belasting die op aangifte moet worden voldaan uitsluitend kan worden nageheven indien die belasting niet is betaald. Indien de voorwaarde van invoering van het kenteken zo moet worden opgevat dat parkeren zonder juiste invoering van het kenteken betekent dat sprake is van parkeren zonder dat de verschuldigde belasting is betaald, zoals door de heffingsambtenaar is betoogd, zou dat meebrengen dat dit artikel in zoverre onverbindend zou zijn wegens strijd met artikel 20 van de AWR. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat belanghebbende de verschuldigde belasting heeft voldaan. Dat belanghebbende voor een andere auto heeft betaald die ook in de omgeving van de betaalautomaat geparkeerd stond, acht de rechtbank, gegeven het consistente relaas van belanghebbende in samenhang met het overgelegde betaalbewijs en de overgelegde pashouderbon, niet aannemelijk. Belanghebbende is erin geslaagd het (tegen)bewijs te leveren dat voor het parkeren van zijn auto op de genoemde plaats, dag en tijdstip is betaald. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en herroept de naheffingsaanslag. Gegeven dit oordeel komt de rechtbank niet toe aan de grieven die belanghebbende naar voren heeft gebracht die zien op de bescherming van zijn privéleven.
DATUM:
30 januari 2015
ECLI:
ECLI:NL:RBAMS:2015:358
ZAAKNUMMER:
AWB-14/1512
INSTANTIE:
Rechtbank Amsterdam
