Geen kerkenvrijstelling, overschrijding redelijke termijn uitsluitend toe te schrijven aan belanghebbende

Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak gelegen tegenover een kerkgebouw. Tijdens de in het kerkgebouw gehouden eredienst op zondagmorgen wordt het gebouw gebruikt als crèche. Daarnaast wordt het gebouw onder meer gebruikt voor zondagsschool, jeugdclubs, catechisaties, bijeenkomsten voor bijbelstudie en een mannenkring. De rechtbank heeft geoordeeld dat de kerkenvrijstelling niet van toepassing is. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat in het algemeen geldende spraakgebruik in een christelijke context onder een openbare eredienst moet worden verstaan een kerkdienst ter gezamenlijke verering van God en dat de activiteiten niet daaronder kunnen worden begrepen.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van de rechtbank geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 7 mei 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9982) en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat vergoeding van immateriële schade als regel alleen bij natuurlijke personen aan de orde is. Rechtspersonen kunnen hiervoor ook in aanmerking komen, maar hebben een verzwaarde stelplicht indien er bijzondere individuele omstandigheden zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende er terecht van uitgaat dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat dit geldt voor natuurlijke personen, maar ook voor rechtspersonen en andere entiteiten (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Tot cassatie kan dit echter niet leiden omdat belanghebbende in haar bezwaarschrift heeft verzocht de uitspraak op het bezwaar aan te houden tot de rechtbank uitspraak zou hebben gedaan in de procedure over het voorafgaande jaar waarin dezelfde kwestie aan de orde was. Vervolgens heeft belanghebbende in beroep gevraagd om de uitspraak aan te houden tot zou zijn beslist op het hoger beroep tegen die uitspraak van de rechtbank. De termijnoverschrijding van 2 jaar voor bezwaar en beroep is aldus uitsluitend het gevolg van de inwilliging van de verzoeken van belanghebbende.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.