Niet voldaan aan de nadere voorschriften
In geschil is de vraag of de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Vast staat dat belanghebbende haar voertuig heeft geparkeerd op een plaats waar parkeerbelasting was verschuldigd en zij beschikte over een vergunning als bedoeld in de Parkeerverordening 2006 en de daarvoor verschuldigde belasting had voldaan. Tevens staat vast dat niet de voor het derde kwartaal 2007 geldende vergunning achter de voorruit was geplaatst maar, in plaats daarvan, die van het tweede kwartaal. In de vigerende verordening is bepaald dat het college van B&W aan de parkeervergunning nadere voorschriften en beperkingen kan verbinden. Een van deze voorschriften houdt in dat de vergunning goed zichtbaar achter de voorruit dient te worden geplaatst.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997
(nr. 32 834, LJN AA3336) dat de belasting ter zake van het parkeren niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een vergunning waarvoor de daarop betrekking hebbende belasting is voldaan. Indien echter niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, is geen sprake van parkeren met die vergunning. Deze situatie doet zich hier voor. Het voorschrift dat de vergunning op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats achter de voorruit moet worden geplaatst, heeft kennelijk ten doel controle op het bezit van een geldige vergunning goed mogelijk te maken. Dat een controle ook op andere wijze mogelijk zou zijn, brengt niet mee dat geen belasting ter zake van het parkeren is verschuldigd, indien niet volgens de voorwaarden van de vergunning is geparkeerd.
Belanghebbende heeft nog gesteld dat een mededeling op de website van het ministerie van Binnenlandse Zaken bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat in dit geval de parkeerbelasting niet zal worden nageheven. Naar het oordeel van het hof kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen, omdat geen sprake is van een situatie zoals in de aangehaalde tekst is beschreven.
Tenslotte merkt het hof op dat de heffingsambtenaar ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van kennelijke ongegrondheid. Kennelijkheid betekent in dit verband dat het bij een eerste kennisneming van het bezwaarschrift direct duidelijk moet zijn dat het bezwaar ongegrond is. Hierdoor ziet het hof aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
DATUM:
25 augustus 2009
ECLI:
ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ6144
ZAAKNUMMER:
BK-09/00002
INSTANTIE:
Gerechtshof Den Haag
