Misbruik van recht door verhuur parkeerplaatsen

Het binnenterrein van een appartementencomplex in het centrum van de gemeente Heerenveen is in eigendom bij de gemeente die hierop parkeerplaatsen heeft aangelegd. Deze parkeerplaatsen zijn genummerd waardoor deze alleen worden gebruikt door de vergunninghouder waaraan deze parkeerplaats is toegewezen. Sinds 1980 wordt parkeerbelasting geheven van de bewoners van het appartementencomplex die gebruik maken van de parkeerplaatsen op het binnenterrein. B&W heeft besloten om de huur van de parkeerplaatsen op het binnenterrein met stappen van € 50 per jaar te verhogen tot een marktconform tarief van uiteindelijk minimaal € 400 per jaar. Tussen partijen is onder andere in geschil of de heffingsambtenaar met zijn handelwijze binnen de grenzen van zijn bevoegdheden is gebleven. In het bijzonder is in geschil of er sprake is van een onredelijke tariefsverhoging.
De rechtbank oordeelt dat uit de bewoordingen van diverse stukken van de heffingsambtenaar en de gemeente volgt dat de gemeente zelf vindt dat zij de parkeerplaatsen aan de bewoners van het appartementencomplex verhuurt. Gelet op alle feiten en omstandigheden is ook inderdaad sprake van het verhuren van het exclusieve gebruik van een bepaald stuk grond. Dat betekent dat de gemeente privaatrechtelijk optreedt. Een belangrijke aanwijzing daarvoor is volgens de rechtbank dat de parkeervergunning niet door de heffingsambtenaar maar door B&W, als het bevoegde bestuursorgaan, op nummer wordt verleend. De rechtbank concludeert daarom dat de gemeente huurovereenkomsten is aangegaan met de vergunninghouders op basis waarvan huurpenningen moeten worden voldaan. Die huurpenningen hebben in dit geval weliswaar een afwijkende verschijningsvorm (zij zijn gegoten in de vorm van parkeerbelasting), maar het blijven huurpenningen. Ook het feit dat van oudsher al een vergoeding wordt gevraagd van de bewoners, terwijl destijds nog nergens anders in de gemeente parkeerbelasting werd geheven is een aanwijzing dat sprake is van privaatrechtelijke verhuur. Door haar publiekrechtelijke bevoegdheid tot het heffen van parkeerbelasting, die is gegeven ter regulering van het parkeren in de openbare ruimte, aan te wenden voor het innen van privaatrechtelijke huuropbrengsten, heeft de gemeente haar bevoegdheden tot het heffen van parkeerbelasting voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze bevoegdheid is gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van strijd met artikel 3:3 Awb waardoor het verhoogde tarief buiten toepassing moet blijven.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.