Werktuigenvrijstelling tankterminal
Belanghebbende is eigenaar van een tankterminal, die wordt gebruikt voor het verladen van transporten van minerale oliën en het consolideren van kleine partijen oliën tot één grote, en voor het mengen van oliën naar door afnemers opgegeven specificaties (blenden). De oliën worden op de terminal uitsluitend aan- en afgevoerd door tankschepen. De op- en overslag van oliën vindt plaats in, naar en vanuit 8 op- en overslagtanks. Het verplaatsen van oliën van en naar de tanks geschiedt door middel van pompen die zijn aangesloten op de buisleidingen van het leidingwerk. Het leidingwerk verbindt de verschillende tanks, pompen en de laad- en losarmen op de steigers met elkaar. Na verwijzing was primair in geschil in hoeverre het leidingwerk en/of de laad- en losarmen in aanmerking komen voor toepassing van de werktuigenvrijstelling en subsidiair of de waarde op grond van het gelijkheidsbeginsel buiten aanmerking moet blijven.
Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de constructie van het leidingwerk, ook gelet op de omvang van het geheel aan leidingen, en de beide laad- en losarmen zodanig is dat zij binnen het complex van de tankterminal bouwkundige zelfstandigheid bezitten en derhalve op zichzelf zijn aan te merken als een gebouwd eigendom. Wel is de werktuigenvrijstelling van toepassing op bepaalde onderdelen van het leidingwerk (10% van de waarde) en van de laad- en losarmen (25% van de waarde). Verder heeft het hof geoordeeld dat belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat zij zich niet in een gelijke positie bevond als andere belasting-plichtigen die, anders dan belanghebbende, wel een door de heffingsambtenaar aangeboden compromis hebben aanvaard.
Bij de beoordeling van de tegen de oordelen van het hof gerichte middelen moet het volgende worden vooropgesteld. Het begrip ‘werktuig’ omvat, opgevat naar het spraakgebruik, onder meer hulpmiddelen bij het verplaatsen van stoffen (vgl. HR 16 april 1980, nr. 19 727, BNB 1980/183). Het leidingwerk vormt een dergelijk hulpmiddel bij het verplaatsen van minerale oliën en is daarom als een werktuig aan te merken. Daaraan doet niet af dat de op het leiding-werk aangesloten pompen voor die verplaatsing noodzakelijk zijn. Ook de laad- en losarmen zijn naar het spraakgebruik als hulpmiddelen bij het verplaatsen van stoffen en daarmee als werktuigen aan te merken. De werktuigenvrijstelling is niet van toepassing op het leidingwerk en de laad- en losarmen, indien deze werktuigen op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. Het oordeel van het hof dat hiervan sprake is geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan overigens, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
DATUM:
13 juni 2014
ECLI:
ECLI:NL:HR:2014:1380
ZAAKNUMMER:
13/04053
INSTANTIE:
Hoge Raad
