Cultuurgrondvrijstelling zorgboerderij
Belanghebbende exploiteert een zorgboerderij. De exploitatie bestaat enerzijds uit agrarische activiteiten, waaronder extensieve (pluim)veehouderij en het fokken van bijzondere dierenrassen, en anderzijds uit het tegen vergoeding aanbieden van dagbesteding en stageplekken aan personen met een (verstandelijke) beperking die werkzaamheden verrichten op de boerderij. Het middel betoogt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 5 april 1978 (nr. 18 753, BNB 1978/114) dat er geen sprake is van bedrijfsmatige exploitatie omdat het streven van belanghebbende naar een optimaal resultaat ondergeschikt is aan andere met de exploitatie nagestreefde doeleinden, te weten het bieden van zorg en (speciaal) onderwijs.
Volgens de A-G kan niet anders worden geconcludeerd dan dat ter zake van de ‘restgrond’ sprake is van bedrijfsmatige exploitatie, in die zin dat met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, bestaande uit de (pluim)veehouderij, aan het maatschappelijk productieproces wordt deelgenomen met het oogmerk om daarmee winst te behalen. Het komt de A-G voor dat hier niet is gebleken dat ter zake van de ‘restgrond’ het streven naar positieve bedrijfsresultaten ondergeschikt is aan het bieden van zorg aan personen met een (verstandelijke) beperking. De agrarische activiteiten op de ‘restgrond’ zijn namelijk over meerdere opeenvolgende jaren winstgevend en zij dragen meer dan de helft bij aan de bepaald niet te veronachtzamen ondernemingswinsten.
Volgens de Hoge Raad leveren de vaststaande feiten een andere situatie op dan aan de orde was in het in het middel bedoelde geval waarin door het hof was vastgesteld dat met de exploitatie van proefbedrijven een in financiële zin positief bedrijfsresultaat niet mogelijk was en het streven er dan ook slechts op gericht was het in financiële zin negatieve bedrijfsresultaat zo klein mogelijk te doen zijn. Een dergelijk streven naar zo laag mogelijke kosten kan niet als een winstoogmerk worden aangemerkt (vgl. HR 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6283).
De Hoge Raad oordeelt dat de omstandigheid dat de winst van belanghebbendes onderneming mede wordt gevormd uit vergoedingen voldaan uit de persoonsgebonden budgetten van personen werkzaam op de boerderij - en er in zoverre geen sprake is van baten die zijn verkregen uit de land- of bosbouw in strikte zin - er niet aan in de weg staat dat een landbouw-bedrijf wordt geëxploiteerd waarmee winst wordt beoogd en ook daadwerkelijk wordt behaald.
DATUM:
13 juni 2014
ECLI:
ECLI:NL:HR:2014:1379
ZAAKNUMMER:
13/02928
INSTANTIE:
Hoge Raad
