Activering uitgaven voor vervanging en aanpassing riolering

De heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen heeft een aanslag rioolrecht opgelegd en het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. De Rechtbank Arnhem heeft het beroep gegrond verklaard. Het Gerechtshof Arnhem heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep ongegrond verklaard en het incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld.
Het hof had geoordeeld dat de belastingrechter niet mag toetsen of investeringen in gemeentebezittingen die duurzaam nut afwerpen moeten worden geactiveerd. Niet in geschil is dat de bedoelde investeringen zijn gedaan "ter zake" van de riolering. Het gaat dus enkel om de vraag in welk jaar die investeringsuitgaven als "lasten ter zake" kunnen worden aangemerkt.
De Hoge Raad overweegt dat indien sprake is van een geschil over limietoverschrijding als gevolg van het achterwege blijven van activering van investeringen, en de relevante feiten vaststaan, de vraag resteert of, en zo ja in hoeverre, de investeringsuitgaven kunnen worden aangemerkt als een last die aan het desbetreffende jaar mag worden toegerekend. Nu de gemeentelijke begroting als uitgangspunt dient voor de ramingen, gaat het er hierbij om of de toerekening van investeringsuitgaven aan het desbetreffende jaar in die ramingen niet in strijd komt met de comptabiliteitsvoorschriften. Dit is een rechtsvraag die de belastingrechter bij een dergelijk geschil moet beantwoorden. Het oordeel van het hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Verder oordeelde het hof dat rioolrechten en rioolheffing vallen onder "bijdragen van derden direct gerelateerd aan een actief", die op de kostprijs van dat activum mogen worden afgeboekt. De Hoge Raad overweegt dat deze heffing niet als een zodanige bijdrage is aan te merken. Indien deze heffing in de kostenramingen van de gemeente op het bedrag van de investering zou worden afgeboekt, zou immers van verhaal van de investeringsuitgaven door middel van diezelfde heffing geen sprake kunnen zijn.
Ten slotte heeft het hof het voorwaardelijk door belanghebbende ingestelde incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De daarbij aangevoerde beroepsgronden zijn door het hof wel behandeld. Dat belanghebbende ook zonder het instellen van incidenteel hoger beroep had kunnen persisteren bij zijn stellingen die de rechtbank had verworpen, brengt echter niet mee dat het op die stellingen gebaseerde voorwaardelijk ingestelde incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk is bij gebreke van belang daarbij, zoals het hof heeft geoordeeld.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en verwijst het geding.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.