Vast bedrag aan leges per bouwkostenklasse (zaagtandtarief) niet onverbindend
Rechtbank, hof (nieuwsservice 2016, week 37) en A-G (nieuwsservice 2017, week 17) hebben geoordeeld dat de gekozen heffingsstructuur in de legesverordening van de gemeente Rotterdam (een vast bedrag aan leges per bouwkostenklasse, zgn. zaagtandtarief) leidt tot onverklaarbare, grote verschillen in heffingsdruk tussen de opvolgende categorieën.
De Hoge Raad stelt voorop dat de wetgever aan gemeenten de bevoegdheid heeft gegeven om, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat de gemeenten in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing. Voor legesheffing mogen de gemeenten daarom het tarief afhankelijk maken van de bouwsom, maar ook een andere wijze van bepaling van het tarief is toegestaan. Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met de wet of enig alge-meen rechtsbeginsel (vgl. HR 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1943, BNB 2009/276).
Het staat gemeenten dus vrij om voor leges tariefklassen te hanteren die gerelateerd zijn aan de hoogte van de bouwsom (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:780, BNB 2014/149). Deze bepaling van het tarief is niet in strijd met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel. De verschillen in belasting die in de tabel worden gemaakt tussen de verschillende tariefklassen, zijn ook niet zodanig dat daardoor een inbreuk wordt gemaakt op het gelijkheidsbeginsel of op enig ander rechtsbeginsel.
DATUM:
30 juni 2017
ECLI:
ECLI:NL:HR:2017:1174
ZAAKNUMMER:
16/05127
INSTANTIE:
Hoge Raad
