Geen leges voor afhandelen Wob-verzoek

Belanghebbende, een radio- en televisieorganisatie, heeft met een beroep op de Wob gemeentes verzocht om informatie omtrent de beloning van B&W. Het Gerechtshof ’s Hertogenbosch (nieuwsservice 2012, week 7) heeft het hoger beroep van de gemeente ongegrond verklaard. A-G IJzerman achtte het beroep in cassatie van de gemeente ongegrond.
De Hoge Raad overweegt dat overheidsinformatie in beginsel openbaar is, tenzij andere, zwaarder wegende belangen dat beletten (artikel 2 van de Wob). Deze openbaarheid dient het algemene belang van een goede en democratische bestuursvoering. Artikel 2, eerste lid, van de Wob bepaalt ook dat het bestuursorgaan bij het verstrekken van informatie overeenkomstig deze wet uitgaat van het algemeen belang van openbaarheid van informatie. Volgens artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder verzoeken om informatie die is neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid. Artikel 3, derde lid, van de Wob bepaalt dat een verzoeker bij zijn verzoek geen belang behoeft te stellen. Daarin ligt besloten dat het bestuursorgaan bij de behandeling van een Wob-verzoek geen acht mag slaan op het belang van de verzoeker bij het verzoek. Uit dit samenstel van bepalingen moet worden afgeleid dat de openbaarmaking van informatie naar aanleiding van een Wob-verzoek niet in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.
Het middel betoogt nog dat een gemeente op grond van artikel 14 van de Wob een zekere mate van autonome beslissingsbevoegdheid heeft bij het in rekening brengen van leges voor een Wob verzoek. Ook dit betoog moet worden verworpen. Het miskent dat de delegatiebepaling van artikel 14 van de Wob, voor zover deze ziet op het in rekening brengen van kosten, evenals artikel 12 van die wet het oog heeft op kostenberekening langs andere weg dan via heffing van leges. De artikelen 12 en 14 van de Wob werpen ook geen nader licht op de vraag of bij het verrichten van werkzaamheden op grond van die wet sprake is van dienstverlening in de zin van artikel 229 van de Gemeentewet. Het Hof is kennelijk ervan uitgegaan dat het hier niet gaat om informatie die reeds openbaar is en dat derhalve sprake is van openbaarmaking op grond van de Wob. Dit uitgangspunt geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande zijn de werkzaamheden niet aan te merken als diensten in de zin van artikel 229, eerste lid, letter b, van de Gemeentewet, zodat heffing van leges uit hoofde van die bepaling niet mogelijk is. De Hoge Raad merkt nog op dat een bestuursorgaan dat uitvoering geeft aan een ingewilligd Wob verzoek door het vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels of samenvattingen van de inhoud daarvan, aan de verzoeker de kosten daarvan in rekening mag brengen. Ook al is met de openbaarmaking van de verzochte gegevens eerst en vooral het algemeen belang gediend, met de vorm waarin de gegevens aan de verzoeker worden verstrekt is immers in het bijzonder een particulier belang gediend. In zoverre is wel sprake van dienstverlening als bedoeld in artikel 229, eerste lid, letter b, van de Gemeentewet. Tussen partijen is dan ook terecht niet in geschil dat de heffingsambtenaar leges in rekening mocht brengen voor het vervaardigen van kopieën van de documenten waarin de gevraagde informatie is neergelegd.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.