Geen legesheffing voor identiteitskaart mogelijk
Belanghebbende heeft bij de gemeente Heythuysen (nu: gemeente Leudal) een Nederlandse identiteitskaart (hierna: ID-kaart) aangevraagd. Het bezwaar van belanghebbende is afgewezen.
Het hof heeft geoordeeld dat het verkrijgen van een ID-kaart zozeer dienstbaar is aan identificatieplichten die liggen in de sfeer van de publieke taakuitoefening en zozeer ondergeschikt is aan een individualiseerbaar belang, dat het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van deze kaart niet meer kan worden aangemerkt als een dienst. De tarieventabel voor de leges voor een ID-kaart is daarom onverbindend. Hiertegen is cassatie ingesteld.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van in overheersende mate verband houden met een individualiseerbaar belang dient in het bijzonder acht te worden geslagen op de Wet op de uitgebreide identificatieplicht (hierna: de WUID). De algemene draag- en toonplicht die voortvloeien uit de WUID zijn volgens de Memorie van Toelichting ingevoerd met het oog op de rechtshandhaving en de bestrijding van criminaliteit. Door invoering van een plicht tot het dragen en desgevorderd tonen van een geldig identiteitsbewijs, kan een bijdrage worden geleverd aan een betere handhaving van regels en een verbetering van het toezicht in de openbare ruimte. Deze algemene draag- en toonplicht dient aldus uitsluitend het algemeen belang.
De documenten waarmee aan de identificatieplicht kan worden voldaan - paspoort, rijbewijs en ID kaart - kunnen ook worden gebruikt voor het individuele belang van de houder van het document. Het is echter niet mogelijk om bij iedere aanvraag van zo’n document objectief vast te stellen welk belang bij het doen van de aanvraag overheerst. Uitvoerbaarheidsargumenten leiden ertoe als maatstaf te hanteren of de verstrekking van ieder van deze documenten plaats vindt in het algemeen belang dan wel vooral voor een individualiseerbaar belang. Hierbij staat vast dat iedere aanvrager van een identiteitsbewijs met zijn aanvraag (ook) het algemeen belang dient. Dat steeds ook individualiseerbare belangen worden gediend staat daarentegen niet vast, omdat er van kan worden uitgegaan dat sommige aanvragers in het geheel geen individualiseerbaar belang bij de verstrekking zullen hebben. Dit vormt een zwaarwegend argument om terughoudend te zijn met de aanname dat bij de verstrekking van ieder identiteitsbewijs individualiseerbare belangen vooropstaan. Van rijbewijzen en paspoorten moet daarom worden aangenomen dat hun functie voor een individualiseerbaar belang bij de aanvraag overheerst, temeer nu een gemakkelijker verkrijgbaar alternatief in de vorm van de ID-kaart voorhanden is voor diegenen die een identificatiebewijs willen aanvragen met uitsluitend of overwegend het oog op de draag- en toonplicht.
Hoewel de ID-kaart in bepaalde opzichten dienst kan doen als reisdocument, is met dit document naar zijn aard in mindere mate een individueel belang gemoeid dan met het rijbewijs en het paspoort. Daarvan uitgaande brengt dit mee dat onder de werking van de WUID niet kan worden aangenomen dat de aanvraag van een ID-kaart, zijnde het meest eenvoudig verkrijgbare en minst specifieke identificatiebewijs, naar zijn aard in overheersende mate verband houdt met een individualiseerbaar belang. Het in behandeling nemen van een zodanige aanvraag is dan ook geen dienst in de zin van artikel 229, lid 1, letter b, van de Gemeentewet, zodat heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk is.
DATUM:
09 september 2011
ECLI:
ECLI:NL:HR:2011:BQ4105
ZAAKNUMMER:
10/04967
INSTANTIE:
Hoge Raad
