Geen limitering tot bedrag aan gemiste inkomsten Gemeentefonds
Aan belanghebbende is een aanslag forensenbelasting opgelegd van € 5.210 naar een tarief van 0,5% van de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen. Belanghebbende stelt dat de wetgever in strijd met het (verdragsrechtelijke) discriminatieverbod handelt voor zover art. 223 Gemeentewet de mogelijkheid biedt een forensenbelasting in te voeren die hoger is dan het bedrag aan per niet-inwoner gemiste bijdrage uit het Gemeentefonds, door hem berekend op € 197,50.
Het hof oordeelt dat art. 223 Gemeentewet geen limiet stelt aan de hoogte van de forensenbelasting en dat dus het ontbreken van een limiet in de verordening de heffingsambtenaar niet kan worden tegengeworpen. Dat vervolgens bij de heffing van de forensenbelasting de WOZ-waarde als heffingsgrondslag wordt gehanteerd en dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een vast tarief van 0,5%, leidt – ook in dit geval – niet tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing waarop de wetgever niet het oog kan hebben gehad. Het hof overweegt verder dat de Hoge Raad in het arrest van 9 november 2001 heeft onderkend dat sprake is van een ongelijke behandeling tussen inwoners en niet-inwoners, maar daarbij tevens heeft beslist dat daarmee geen sprake is van een verboden discriminatie, omdat hiervoor een rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Namelijk de omstandigheid dat de bijdrage die een gemeente ontvangt uit het Gemeentefonds, mede afhankelijk is van het aantal inwoners van die gemeente, en woonforensen daarbij niet tot de inwoners worden gerekend. De Hoge Raad heeft hierin voldoende rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid gevonden, zonder daarbij een limitering tot het bedrag aan gemiste inkomsten uit het Gemeentefonds aan te brengen. Het hof vindt geen aanleiding voor het onderhavige jaar tot een ander oordeel te komen. De omstandigheid dat belanghebbende als niet-ingezetene geen stemrecht heeft bij de lokale verkiezingen in de gemeente Bergen en daardoor geen invloed kan uitoefenen op de gemeentepolitiek, doet niet af aan het (juridische) oordeel dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond voor het door de gemeente gemaakte onderscheid. Van een ongeoorloofde discriminatie dan wel strijdigheid met het (verdragsrechtelijke) gelijkheidsbeginsel is dus geen sprake.
DATUM:
08 januari 2019
ECLI:
ECLI:NL:GHAMS:2019:528
ZAAKNUMMER:
17/00442
INSTANTIE:
Gerechtshof Amsterdam
