Verwijzingshof is gebonden aan de (feitelijke) uitgangspunten van de Hoge Raad
Bij een calamiteit is een grote hoeveelheid vloeibare meststof in een rwzi terecht gekomen. De heffingsambtenaar van GBLT heeft hiervoor een aanslag zuiveringsheffing van € 1.044.053 opgelegd. Partijen hebben na verwijzing betwist dat het in het verwijzingsarrest vermelde feitelijke uitgangspunt dat 1.214 m³ Urean30 in het gemeenteriool is terechtgekomen, juist is. Het hof overweegt dat een verwijzingshof is gebonden aan de (feitelijke) uitgangspunten die de Hoge Raad in een verwijzingsarrest heeft opgenomen. Na verwijzing dient het hof dan ook ervan uit te gaan dat 1.214 m³ Urean30 in het gemeenteriool is terechtgekomen en dat deze hoeveelheid – behoudens tegenbewijs door belanghebbende – het zuiveringstechnische werk heeft bereikt. Na verwijzing dient het hof volgens de verwijzingsopdracht slechts te onder-zoeken of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt of en in welke mate de 1.214 m³ Urean30 het zuiveringstechnische werk niet heeft bereikt. Het hof is van oordeel dat belang-hebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat al eerder is begonnen met de afvoer uit het gemeenteriool. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er aanleiding is de aanslag in goede justitie vast te stellen op € 900.000 (Nieuwsservice 2017 week 39).
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond met toepassing van art. 81 RO.
DATUM:
19 oktober 2018
ECLI:
ECLI:NL:HR:2018:1993
ZAAKNUMMER:
17/04499
INSTANTIE:
Hoge Raad
