Afval afkomstig van appartementen bij hotelbedrijf is bedrijfsafval
Belanghebbende exploiteert door haar gehuurde appartementen, en is daarvoor aangeslagen in de afvalstoffenheffing. Belanghebbende stelt dat sprake is van bedrijfsafval. Zij heeft voor het ophalen en afvoeren van het afval een overeenkomst heeft gesloten met een inzamelingsbedrijf dat containers ter beschikking stelt, waarin al het afval van de appartementen en het hotel wordt verzameld. Er is geen sprake van particuliere huishoudingen in de appartementen, maar van bedrijfsmatige exploitatie van die appartementen. Het afval wordt opgehaald en afgevoerd door het hotelpersoneel en in de containers gedeponeerd. De appartementen worden bedrijfsmatig geëxploiteerd in het hotelbedrijf, aldus belanghebbende.
De rechtbank overweegt dat de Wet milieubeheer onderscheid maakt tussen bedrijfsafvalstoffen en huishoudelijke afvalstoffen, in die zin dat niet de aard maar de oorsprong ervan doorslaggevend is. Huishoudelijke afvalstoffen zijn afkomstig uit particuliere huishoudens, bedrijfsafvalstoffen zijn dat niet. Nu vast staat dat de appartementen bedrijfsmatig in het kader van het hotelbedrijf door belanghebbende worden geëxploiteerd, staat eveneens vast dat de oorsprong van de onderhavige afvalstoffen het hotelbedrijf is en niet een particulier huishouden. Aan de centrale begrippen huishoudelijke afvalstoffen en inzamelverplichting wordt in dit geval niet voldaan, waardoor geen heffing kan plaatsvinden. Dat de gemeente Schiermonnikoog tags heeft verstrekt ten behoeve van door haar geplaatste ondergrondse containers voor huishoudelijke afval, maakt het voorgaande niet anders. Namens belanghebbende is gemotiveerd weersproken dat de tags voor de appartementen zijn gebruikt, door er op te wijzen dat aan de buitenkant van de tags niet is te zien bij welk appartement het hoort en dat twee van de verstrekte tags alleen gebruikt zijn voor de nabijgelegen personeelsverblijven die apart in de afvalstoffenheffing worden betrokken.
DATUM:
16 april 2019
ECLI:
ECLI:NL:RBNNE:2019:1792
ZAAKNUMMER:
17/3217
INSTANTIE:
Rechtbank Noord-Nederland
