Kwade trouw bij Wob-verzoek
De gemachtigde van belanghebbende voert als rechtsbijstandverlener veel procedures over verkeersboetes, Wob-verzoeken en het niet tijdig nemen van besluiten. Uit het Wob-verzoek van belanghebbende blijkt dat dit is ingediend in verband met een aan haar opgelegde naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar van de gemeente Wageningen heeft aangegeven dat op de dag dat het Wob-verzoek is ingediend ook bezwaar is gemaakt tegen de naheffingsaanslag. In het bezwaarschrift is aangegeven dat de gronden worden aangevuld na het ontvangen van de opgevraagde documenten. Kennelijk zijn de documenten opgevraagd om het bezwaar tegen de naheffingsaanslag te kunnen motiveren.
De afdeling overweegt dat ervan moet worden uitgegaan dat gemachtigde, gelet op zijn ruime kennis en ervaring, ermee bekend was dat voor het opvragen van stukken om zijn bezwaar te motiveren de Wob niet de geëigende grondslag is en dat een Wob-verzoek ertoe kan leiden dat het bestuursorgaan bij niet-tijdige besluitvorming een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen. Dit wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest het informatieverzoek op de Wob te baseren. Daarbij komt dat het procesgedrag van belanghebbende blijk geeft van handelingen waarvan zij geweten moeten hebben dat die een tijdige besluitvorming onnodig konden bemoeilijken. De vaagheid van het verzoek doet afbreuk aan het doel waartoe het beweerdelijk is ingediend en maakt het op het verzoek te nemen besluit onnodig extra vatbaar voor discussie in bezwaar- en beroepsprocedures. Hieruit volgt dat gemachtigde een Wob verzoek heeft ingediend voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Hij heeft misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt ook voor het gebruik van de bevoegdheid om hoger beroep in te stellen, nu dit niet los kan worden gezien van het doel waarmee hij de Wob heeft gebruikt. Het hoger beroep is niet ontvankelijk.
DATUM:
08 juni 2016
ECLI:
ECLI:NL:RVS:2016:1587
ZAAKNUMMER:
201501057/1/A3
INSTANTIE:
Raad van State
