Geen schending meerderheidsregel
Belanghebbende stelt dat er in Amsterdam circa 72.000 hondenbezitters zijn en maakt een vergelijking tussen de gevallen waarin de heffingsambtenaar aan hondenbezitters een aanslag hondenbelasting 2013 heeft opgelegd (circa 17.000 personen) en het aantal gevallen waarin dit volgens hem niet gebeurd is (circa 55.000 personen). Tot de groep van onbelaste hondenbezitters rekent belanghebbende klaarblijkelijk (ook) gevallen waarin de heffingsambtenaar niet over alle benodigde gegevens beschikte om een (navorderings)aanslag op te leggen.
Het hof overweegt dat van een schending van de meerderheidsregel eerst kan worden gesproken indien sprake is van een afwijkende behandeling van andere belastingplichtigen waarop de belanghebbende zich beroept, die niet berust op een beleid of op een oogmerk tot begunstiging, maar voortvloeit uit door een heffingsambtenaar gemaakte fouten. Derhalve tellen naar het oordeel van het hof als vergelijkbaar geval ‘de onbekende gevallen’ niet mee. Met betrekking tot deze gevallen kan immers niet gesteld worden dat de heffingsambtenaar een fout heeft gemaakt. Het hof voegt hier aan toe dat dit ook geldt als ‘de onbekende gevallen’ bij effectieve(re) inspanningen van de heffingsambtenaar wel aan het licht zouden zijn gekomen. Alleen wanneer het beleid van de heffingsambtenaar is gericht op begunstigende behandeling van een bepaalde groep kan dit anders zijn. Omdat belanghebbende niet heeft gesteld en niet aannemelijk heeft gemaakt dat de heffingsambtenaar in de meerderheid van de gevallen waarin hij over alle voor de heffing van hondenbelasting benodigde gegevens beschik-te (verder ‘de bekende gevallen’), geen aanslag heeft opgelegd en het hof zulks ook niet is gebleken, is belanghebbendes beroep op schending van de meerderheidsregel ongegrond. Het hof voegt daar ten overvloede nog aan toe dat ten tijde van de hofuitspraak de in artikel 16, derde lid, van de AWR bedoelde 5-jaarstermijn nog niet is verstreken. Dit betekent dat ‘de bekende gevallen’ waarin geen hondenbelasting is geheven, meetellen als gevallen waarin de wet juist is toegepast indien herstel door middel van navordering nog mogelijk is en de heffingsambtenaar voornemens is van die mogelijkheid gebruik te maken (vgl. BNB 1995/7).
DATUM:
31 mei 2016
ECLI:
ECLI:NL:GHAMS:2016:2116
ZAAKNUMMER:
15/00060 + 16/00231
INSTANTIE:
Gerechtshof Amsterdam
