Geen opbrengstlimiet
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het tarief voor de hondenbelasting in Velsen zo hoog is vastgesteld dat de geraamde opbrengst van de hondenbelasting uitgaat boven de lasten voor de uitvoering van het hondenbeleid. Daarbij heeft zij geconstateerd dat de gemeen-te suggesties vroeg voor het hondenbeleid omdat ze kennelijk niet wist waar ze het met de hondenbelasting geïnde geld aan moest uitgeven, dat de door de gemeente aangeschafte hondenpoepzuiger ook wordt gebruikt om paardenmest op te zuigen en dat de gemeente het tarief voor 2014 heeft verlaagd.
De rechtbank overweegt dat het een gemeente vrij staat om de opbrengst van de hondenbelasting te bestemmen voor de bestrijding van de kosten die samenhangen met het feit dat inwoners honden houden. Het aangeven door de gemeentelijke wetgever van een specifiek doel ter besteding van de opbrengst van een algemene belasting (dan wel van de verhoging van een al bestaande belasting) brengt echter niet mee dat de geraamde (meer)opbrengst niet mag uitgaan boven de geraamde lasten die samenhangen met dat specifieke doel zoals verwoord in de voor gemeentelijke rechten geldende opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet. In het midden kan daarom blijven of de gemeente bepaalde kosten terecht als “kosten ter zake” in de raming heeft betrokken. Het aangeven van een specifiek doel brengt ook niet zonder meer mee dat bij een opbrengst boven de geraamde lasten, sprake is van een willekeurige en onredelijke heffing. Dat houders van paarden eveneens overlast veroorzaken en dat de hondenpoepzuiger ook voor het opruimen van uitwerpselen van paarden wordt ingezet doet niet af aan de te rechtvaardigen keuze van de wetgever om de houders van honden te belasten en niet de houders van andere dieren (HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:917).
DATUM:
30 juni 2014
ECLI:
ECLI:NL:RBNHO:2014:6350
ZAAKNUMMER:
AWB 13/2104
INSTANTIE:
Rechtbank Noord-Holland
