Beroepsmatig verleende rechtsbijstand door elders wonende dochter/advocaat

Belanghebbende heeft haar beroep bij de Rechtbank Utrecht tegen een uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente De Bilt inzake de WOZ-waarde ingetrokken omdat de heffingsambtenaar haar inmiddels tegemoet was gekomen. Bij de intrekking heeft zij tevens verzocht om een afzonderlijke kostenveroordeling uit te spreken. Belanghebbende werd bijgestaan door haar dochter/advocaat. De rechtbank heeft het verzoek als kennelijk ongegrond en overwogen dat gesteld noch gebleken is dat de advocaat kosten aan belanghebbende in rekening heeft gebracht of dat anderszins kosten ter zake van de verleende rechtsbijstand op haar drukken. Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. Daarbij heeft zij een declaratie van de advocaat overgelegd. De rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard en geoordeeld dat de door de advocaat verleende rechtsbijstand gelet op de familierelatie niet als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kan worden beschouwd. Belanghebbende heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad overweegt dat de advocaat niet tot het huishouden van belanghebbende behoort, werkzaam is bij een advocatenkantoor en beroepsmatig rechtsbijstand pleegt te verlenen. In aanmerking genomen dat de uitspraak van de rechtbank en de stukken van het geding geen aanwijzing bevatten dat de rechtsbijstand niet op zakelijke basis is verleend, brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende voor de rechtbank werd vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en wijst het geding terug naar de rechtbank ter verdere behandeling met inachtneming van het volgende.
Voor toekenning bij rechterlijke uitspraak van een vergoeding ter zake van kosten van rechtsbijstand is slechts plaats indien kan worden aangenomen dat aan die bijstand voor de belanghebbende kosten zijn verbonden (vgl. HR 25 april 2008, nr. 43815, LJN BD0464, BNB 2008/173). In beginsel dient de rechter ervan uit te gaan dat aan rechtsbijstand kosten zijn verbonden indien die bijstand door een derde beroepsmatig is verleend. Voor een uitzondering is plaats indien het bestuursorgaan het tegendeel stelt en in geval van betwisting aannemelijk maakt. Bij de beoordeling of die uitzondering zich voordoet, komt het erop aan of op de belanghebbende een verplichting rust of zal komen te rusten om kosten ter zake van de verleende rechtsbijstand te voldoen. Van een zodanige verplichting is ook sprake indien de rechtsbijstand wordt verleend op basis van no cure no pay (zie HR 7 oktober 2011, nr. 10/05199, LJN BT6841, BNB 2011/281). Anders dan de rechtbank voor ogen heeft gestaan, is derhalve niet vereist dat ten tijde van haar uitspraak een declaratie is opgemaakt of dat de kosten ten tijde van die uitspraak al zijn voldaan.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.