Uitgangspunt wegingsfactor is niet gemiddeld (wegingsfactor 1)

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard en een kostenvergoeding toegekend en is hierbij uitgegaan van de wegingsfactor 0,25 (zeer licht).
Rechtbank Haarlem heeft tot uitgangspunt genomen dat de behandeling van een bezwaar in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1) en dat het op de weg van de heffingsambtenaar ligt om afdoende te onderbouwen dat het gewicht van de zaak als zeer licht moet worden aangemerkt. Hierin is de heffingsambtenaar niet geslaagd.
Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de door de rechtbank geformuleerde regel geen steun vindt in het recht. Het hof heeft vooropgesteld dat iedere zaak op zichzelf moet worden beoordeeld naar aard, belang en ingewikkeldheid en omvang van de in het kader van de verleende rechtsbijstand te verrichten werkzaamheden. Deze factoren dienen tot uitdrukking te komen in de voor die zaak te bepalen wegingsfactor, aldus het hof. Kennelijk op basis van deze uitgangspunten en derhalve op grond van zijn eigen beoordeling van de zwaarte van de zaak, heeft het hof geoordeeld dat de heffingsambtenaar kon volstaan met een kostenvergoeding op basis van een wegingsfactor 0,25.
In cassatie is in geschil of de rechtbank de juiste maatstaf heeft aangelegd.
De Hoge Raad oordeelt dat het Bpb voor de bepaling van het gewicht van een zaak vijf categorieën met een bijbehorende wegingsfactor heeft, maar dat het Bpb aan geen van die categorieën een bijzondere positie toekent. De toelichting op het Bpb vermeldt dat het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in een wegingsfactor, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het - al dan niet in geld uit te drukken - belang en de ingewikkeldheid. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. Het opnemen van deze factoren berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde.De toelichting op de wijziging van het Bpb vermeldt dat het gewicht van de zaak steeds in overeenstemming dient te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.
Hieruit volgt dat de beoordelende instantie zelfstandig - op grond van een eigen waardering - dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Hiermee verdraagt zich niet de opvatting van de rechtbank, die erop neerkomt dat het gewicht van een zaak wordt beoordeeld aan de hand van regels met betrekking tot stelplicht en bewijslast, en dat een zaak bij gebreke van voldoende onderbouwing door de partij die daarbij belang heeft, in de categorie gemiddeld wordt ingedeeld. Dit hoeft overigens niet te verhinderen dat een beoordelende instantie in de regel tot de bevinding komt dat het gewicht van een zaak gemiddeld is. Voorts verdient opmerking dat de bepaling van het gewicht van de zaak door de feitenrechter, als verweven met waarderingen van feitelijk aard, in cassatie slechts beperkt toetsbaar is.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.