Onjuist dictum, geen vergoeding griffierecht en geen proceskostenveroordeling
Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd, alsmede een boete. De navorderingsaanslag en de boetebeschikking zijn na bezwaar verminderd. De Rechtbank Haarlem heeft het beroep ongegrond verklaard.
Het hof heeft de door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde klachten verworpen. Op grond van de door het hof ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn heeft het hof geoordeeld dat de boete moet worden verminderd. Enkel op die grond heeft het hof het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en de Inspecteur gelast het betaalde griffierecht te vergoeden. Hiertegen richt zich het middel.
De Hoge Raad overweegt dat, nu het hof de door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde grieven ongegrond achtte en ambtshalve tot de conclusie is gekomen dat de boete moet worden verminderd, het hof het hoger beroep van belanghebbende ongegrond had dienen te verklaren, de uitspraak van de rechtbank voor wat betreft de boetebeschikking moeten vernietigen en de boete moeten verminderen (vgl. HR 22 april 2005, LJN AO9006). Derhalve heeft het hof ten onrechte het hoger beroep gegrond verklaard. Ook heeft het hof ten onrechte het beroep gegrond verklaard, aangezien er - afgezien van de hiervoor bedoelde boetevermindering - geen grond voor vernietiging van de in beroep bestreden uitspraken aanwezig was. Voor een vergoeding van het griffierecht op de voet van artikel 27p van de AWR is geen plaats. Het is niet in overeenstemming met de strekking van deze bepaling om vergoeding van het griffierecht toe te kennen als de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank uitsluitend haar grond vindt in de omstandigheid dat het hof ambtshalve constateert dat bij de behandeling van het hoger beroep de redelijke termijn is overschreden. Evenmin is plaats voor vergoeding van het griffierecht voor de behandeling van het beroep dat was ingesteld bij de rechtbank of voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond.
DATUM:
16 september 2011
ECLI:
ECLI:NL:HR:2011:BP8053
ZAAKNUMMER:
10/03571
INSTANTIE:
Hoge Raad
