Bijzondere omstandigheden leiden tot matiging proceskostenvergoeding

In deze zaak was sprake van 10,5 punten voor proceshandelingen en een factor 2 voor het gewicht van de zaak. Belanghebbendes zaak maakt onderdeel uit van 67 zaken die gevoerd werden door 2 gemachtigden. De zaken vertoonde een grote mate van uniformiteit.
Het hof heeft voor de zaak van belanghebbende een vergoeding toegekend voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter hoogte van € 505.
Belanghebbende heeft daartegen cassatie ingesteld, waarbij hij onder andere aanvoerde dat het hof ten onrechte de 67 zaken als 1 zaak had beschouwd.
De Hoge Raad stelt voorop dat op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de forfaitaire bedragen. Zo’n afwijking is ook mogelijk indien er sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb.
Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in het Bpb is opgenomen, omdat strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. De rechter kan daarom de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen. De Hoge Raad vervolgt dat daarbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. De Hoge Raad is van oordeel dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden door de rechter terughoudend dient te worden toegepast.
In deze zaak geeft de Hoge Raad aan dat het oordeel van het hof er op neer komt dat in alle 67 zaken – ongeacht of daarbinnen deelgroepen kunnen worden onderscheiden – naar het oordeel van het hof dient te worden afgeweken van de forfaitaire vergoeding, omdat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof heeft daarbij oog gehad op het zeer grote aantal zaken die op veel punten een sterke inhoudelijke samenhang vertonen, waardoor de proceshandelingen voor een zeer groot deel een uniform karakter hebben, en dus niet zijn afgestemd op de bijzonderheden van de desbetreffende zaak.
De Hoge Raad oordeelt daarover dat ook als rekening wordt gehouden met de terughoudendheid die bij de toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb geboden is, het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dit mede gelet op de omstandigheid dat vergoedingen op grond van het Bpb het karakter hebben van een tegemoetkoming. De klacht van belanghebbende dat het hof niet ambtshalve toepassing had mogen geven aan artikel 2, derde lid, van het Bpb en eerst belanghebbende op de hoogte had moeten stellen dat het hof voornemens was hieraan toepassing te geven, wordt door de Hoge Raad afgewezen onder toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.