Beperkte mogelijkheden herzieningsverzoek bij de Hoge Raad

Bij arrest van 24 september 2010 heeft de Hoge Raad het verzoek van belanghebbende afgewezen. Het verzoek tot herziening van het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2007 is gewezen op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem. Belanghebbende heeft tegen het arrest verzet gedaan. Belanghebbende heeft in zijn verzetschrift verzocht te worden gehoord en is daartoe door de Hoge Raad ter zitting in de gelegenheid gesteld.
De Hoge Raad overweegt dat vooropgesteld dient te worden dat een verzoek tot herziening moet worden gedaan bij het rechtscollege dat de uitspraak heeft gedaan waarvan herziening wordt verzocht (zie HR 17 december 2004, nr. 40 607, LJN AR7765, BNB 2005/84). Als gevolg daarvan kan een partij, indien zij herziening wenst van een uitspraak van een gerechtshof in een belastingzaak, geen daartoe strekkend verzoek indienen bij de Hoge Raad. Het procesrecht in belastingzaken wijkt in dit opzicht af van het strafprocesrecht, waarop belanghebbende zich in verzet kennelijk baseert. Bij de hoorzitting heeft belanghebbende bevestigd dat zijn herzieningsverzoek niet alleen betrekking heeft op het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2007, maar tevens op het arrest van 28 mei 2004. Bij de beoordeling van het verzet heeft de Hoge Raad het herzieningsverzoek derhalve opgevat als te zijn gericht tegen beide voormelde arresten.
Voor zover hetgeen bij verzet is aangevoerd een nadere toelichting behelst van feiten en omstandigheden die bij het dit verzoek tot herziening reeds zijn aangevoerd, biedt het geen grond voor een andere beslissing op het verzoek om herziening dan bij het arrest van 24 september 2010 is gegeven, nu die aangevoerde feiten belanghebbende vóór de arresten van de Hoge Raad reeds bekend waren. Voor het overige behelst het verzetschrift feiten die, indien zij de Hoge Raad vóór het wijzen van zijn arresten bekend waren geweest, gelet op het beperkte karakter van de aan de Hoge Raad opgedragen toetsing, in cassatie niet tot een andere beslissing zouden hebben kunnen leiden (vgl. HR 12 maart 2004, nr. 39 587, LJN AO5547, BNB 2004/226).
De Hoge Raad verklaart het verzet ongegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.