Conversie tweede primitieve aanslagen in navorderingsaanslagen niet mogelijk

B&W van de gemeente Groningen hebben aan belanghebbende twee bouwvergunningen eerste fase verleend. Bij de berekening van de legesaanslagen heeft de heffingsambtenaar het (hogere) tarief voor het verlenen van een reguliere bouwvergunning toegepast. Belanghebbende heeft daarop contact opgenomen met de heffingsambtenaar en hem erop gewezen dat het (lagere) tarief voor het verlenen van bouwvergunningen eerste fase van toepassing is. In reactie hierop heeft de heffingsambtenaar de aanslagen verminderd tot nihil en nadere aanslagen opgelegd. Naar het oordeel van het hof was sprake van een discrepantie tussen de wil van de heffingsambtenaar en de vastlegging daarvan in de aanvankelijke aanslagen, zoals deze luiden na de vermindering daarvan tot nihil. Naar het oordeel van het hof moet belanghebbende terstond na de ontvangst van de aanvankelijke aanslagen, de verminderingsbeschikkingen en de nadere aanslagen, de bij de totstandkoming en, in samenhang daarmee, de vermindering van de aanvankelijke aanslagen gemaakte fout kenbaar zijn geweest. Belanghebbende moet dus aanstonds hebben begrepen dat de vermindering van de aanvankelijke aanslagen tot nihil op een vergissing berustte. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AI0921), is navordering in dat geval geoorloofd, aldus het hof.
De Hoge Raad overweegt dat de aanvankelijke aanslagen zijn opgelegd in verband met het verlenen van de door belanghebbende aangevraagde reguliere bouwvergunningen eerste fase. Daarbij is een onjuist tarief toegepast. Naar aanleiding van belanghebbendes bezwaren behoorden die aanslagen te worden verminderd naar aanslagen berekend naar het juiste tarief. De heffingsambtenaar heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat de aanvankelijke aanslagen moesten worden verminderd tot nihil en dat nieuwe (primitieve) aanslagen voor het verlenen van de aangevraagde bouwvergunningen eerste fase moesten worden opgelegd. Daarbij ging de heffingsambtenaar ten onrechte ervan uit dat het opleggen van een tweede primitieve aanslag voor het verlenen van dezelfde vergunning mogelijk is. Die handelwijze berustte daarom op een onjuiste opvatting omtrent het formele recht. Aldus is geen sprake van een vergissing die ertoe heeft geleid dat de wil van deze ambtenaar niet overeenstemde met datgene wat in de verminderingsbeschikkingen is vastgelegd. Het middel betoogt terecht dat het hof onder die omstandigheden een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2003 (vgl. HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8877). De omstandigheid dat belanghebbende aanstonds moet hebben begrepen dat de verminderingen van de aanvankelijke aanslagen tot nihil berustten op een fout, brengt niet mee dat navordering niettemin geoorloofd is.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.