Toepassing schrijf- en tikfoutjurisprudentie
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende aanslagen OZB opgelegd naar het tarief voor niet-woningen. Belanghebbende heeft tegen 1 aanslag bezwaar gemaakt en verzocht om toepassing van het (lagere) tarief voor woningen. Tevens heeft hij in het bezwaarschrift verzocht de aanslagen voor eerdere jaren te verminderen. De heffingsambtenaar heeft de aanslagen verminderd tot nihil en opnieuw aanslagen opgelegd, berekend naar het tarief voor woningen.
Het hof heeft geoordeeld dat een naar de vorm van een primitieve aanslag opgelegde belastingaanslag als navorderingsaanslag in stand kan blijven, indien aan de vereisten voor navordering is voldaan. Het hof heeft hierbij onder meer overwogen dat het in de onjuiste volgorde intoetsen van gegevens in een geautomatiseerd aanslagsysteem is aan te merken als een vergissing die gelijk is te stellen met een schrijf- of tikfout.
De Hoge Raad overweegt dat het hof met zijn oordeel kennelijk heeft aangenomen dat de wil van de heffingsambtenaar niet overeenstemde met datgene wat in de verminderingsbeschikkingen is vastgelegd. Door te oordelen dat sprake is van een vergissing die gelijk is te stellen met een schrijf- of tikfout is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting of heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Van een fout die voortvloeit uit een bepaalde werkwijze waarvoor is gekozen, is sprake indien gegevens in de onjuiste volgorde worden ingetoetst, en het de heffingsambtenaar ten tijde van dat intoetsen bekend is dat het voor een juiste gegevensverwerking door het systeem essentieel is dat de gegevens in een bepaalde volgorde worden ingetoetst, maar een daartoe strekkende instructie voor degenen die de gegevens invoeren achterwege is gelaten.
Rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de heffingsambtenaar bewust de oorspronkelijke aanslagen heeft verminderd tot nihil en vervolgens de bestreden aanslagen heeft opgelegd, omdat hij er van uitging dat het opleggen van een tweede primitieve aanslag rechtens mogelijk en op grond van de Awb zelfs verplicht zou zijn. In dat geval berustte de handelwijze op een onjuiste opvatting over het formele recht, die niet is aan te merken als een vergissing die ertoe heeft geleid dat de wil van deze ambtenaar niet overeenstemde met datgene wat in de verminderingsbeschikkingen is vastgelegd.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en verwijst de zaak.
DATUM:
26 maart 2010
ECLI:
ECLI:NL:HR:2010:BL8877
ZAAKNUMMER:
09/02804
INSTANTIE:
Hoge Raad
