Ook oordeel over dwangsom bij alsnog volledig tegemoet komen aan bezwaar

Belanghebbende heeft op 26 oktober 2015 de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Op 16 november 2015 is belanghebbende in beroep gegaan tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Op 24 november 2015 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en is volledig aan het bezwaar tegemoetgekomen. Op 25 november 2015 heeft de inspecteur beslist dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom. In de uitspraak op bezwaar tegen de dwangsombeschikking heeft de inspecteur alsnog een dwangsom toegekend. De rechtbank heeft het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard, omdat het procesbelang aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen is ontvallen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het beroep niet van rechtswege is gericht tegen de uitspraak op bezwaar (artikel 6:20, derde lid, Awb) waardoor het bepaalde in artikel 4:19, eerste lid, van de Awb niet van toepassing is. Het beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank niet van rechtswege ook betrekking op de dwangsombeschikking.
De Hoge Raad overweegt dat indien het bestuursorgaan hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog volledig aan het bezwaar tegemoetkomt en ook de hoogte van een dwangsom bij beschikking vaststelt, de proceseconomie ermee gediend is dat de rechter in de procedure over het niet tijdig nemen van het besluit ook een oordeel geeft over de dwangsombeschikking, voor zover deze betwist wordt. Dit geldt ook als het bestuursorgaan beslist dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom. De rechtbank heeft het beroep voor zover dat betrekking heeft op de dwangsombeschikking ten onrechte niet in behandeling genomen. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. De dwangsom is bij de uitspraak van de inspecteur alsnog juist vastgesteld, waardoor er geen aanleiding is om die dwangsom nogmaals toe te kennen.
Belanghebbende klaagt in cassatie voorts over het niet toekennen van een kostenvergoeding door de rechtbank. Vaststaat dat de inspecteur niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan, dat belanghebbende daartegen beroep heeft ingesteld en dat de inspecteur nadien alsnog uitspraak heeft gedaan. Ook als de inspecteur in deze fase geheel aan het bezwaar is tegemoetgekomen, behoort een rechtbank in beginsel gebruik te maken van haar bevoegdheid om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb de inspecteur te veroordelen in de kosten die redelijkerwijs moesten worden gemaakt voor het beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3411). De klacht is gegrond. Verder behoorde ook de onjuist gebleken weigering om een dwangsom toe te kennen aanleiding te geven om de inspecteur in de kosten van het geding te veroordelen.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.