Beslissingen over proceskostenvergoeding en griffierecht ten onrechte niet in dictum rechtbank

In beroep hebben partijen overeenstemming bereikt over de WOZ-waarden van de onroerende zaken en over de teruggaaf van griffierecht en over het bedrag van de proceskosten. Na ontvangst van de door de heffingsambtenaar van de gemeente Roosendaal opgestelde vaststellingsovereenkomst heeft belanghebbende de heffingsambtenaar laten weten dat hij het beroepschrift zou intrekken ná bijschrijving van het betaalde griffierecht en de overeengekomen proceskosten op de derdenrekening van zijn gemachtigde. De heffingsambtenaar liet belanghebbende weten akkoord te gaan met de vergoeding van de proceskosten, zodra hij bericht zou hebben ontvangen van de rechtbank dat het beroep was ingetrokken. Belanghebbende persisteerde dat hij het beroep zou intrekken ná de bijschrijving van het griffierecht en de proceskosten. De heffingsambtenaar antwoordde dat hij bij zijn standpunt bleef. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Belanghebbende kon volgens de rechtbank niet in een gunstiger positie komen te verkeren, aangezien de rechtbank geen reden had om aan de toezegging van de heffingsambtenaar te twijfelen. Omdat de bedragen nog niet waren ontvangen heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Nadat hoger beroep was ingesteld is het bedrag aan belanghebbende betaald. Het hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. Het middel betoogt dat de rechtbank een misslag heeft begaan door de door belanghebbende gevraagde proceskostenveroordeling niet in haar dictum op te nemen. Het hof heeft die misslag ten onrechte niet gecorrigeerd.
De Hoge Raad oordeelt dat, omdat de heffingsambtenaar in beroep belanghebbende geheel is tegemoetgekomen, het beroep niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kon leiden. De rechtbank heeft het beroep daarom wegens het ontbreken van een belang terecht niet ontvankelijk verklaard. Wel behoorde de rechtbank vergoeding van griffierecht te gelasten en diende zij de heffingsambtenaar in de proceskosten te veroordelen (zie HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5988). De rechtbank heeft die beslissingen ten onrechte niet in haar dictum opgenomen. Het hof heeft het beroep tegen het ontbreken van die beslissingen dan ook ten onrechte ongegrond verklaard.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.