Bereikbaarheid langs elektronische weg
X heeft bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslagen door op de website van de gemeente een daartoe bestemd contactformulier in te vullen en digitaal aan de heffingsambtenaar te verzenden. De heffingsambtenaar heeft de uitspraak op bezwaar per e-mail aan X verzonden. De Hoge Raad overweegt dat op grond van art. 2:14 lid 1 Awb een bestuursorgaan een bericht elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Een burger kan in beginsel “meer of minder uitdrukkelijk” kenbaar maken dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is, waarbij hij ook te kennen moet geven voor welk bericht of welke berichtenuitwisseling dit geldt, voor welke vorm van elektronisch verkeer hij openstaat en op welk elektronisch postadres hij bereikbaar is. Of een uiting of andere gedraging van een burger aan deze eisen voldoet, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De enkele bekendheid bij het bestuursorgaan van een emailadres is hiervoor niet zonder meer voldoende. Ook de omstandigheid dat een burger die langs elektronische weg een verzoek doet, daarin een e-mailadres opgeeft, brengt niet zonder meer mee dat hij daarmee – impliciet – kenbaar heeft gemaakt dat hij in het kader van correspondentie over dat verzoek steeds langs elektronische weg en op dat e-mailadres bereikbaar is. De vaststaande feiten zijn onvoldoende om te kunnen aannemen dat X te kennen heeft gegeven bereikbaar te zijn langs elektronische weg. Dat X op een contactformulier voor het indienen van een bezwaarschrift zijn emailadres heeft ingevuld, volstaat hiervoor niet, in aanmerking genomen dat (i) op dit formulier niet is vermeld dat de indiener door het invullen van zijn e-mailadres ermee akkoord gaat dat het bestuursorgaan correspondentie in de bezwaarprocedure naar dit e-mailadres verstuurt, en (ii) het e-mailadres bovendien op een verplicht veld van het contactformulier moest worden ingevuld.
Terug naar kennisbankDATUM:
21 november 2025
ECLI:
ECLI:NL:HR:2025:1728
ZAAKNUMMER:
24/01787
INSTANTIE:
Hoge Raad
