Beoordeling drie kenmerken bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof vanwege de schending van art. 40 lid 2 Wet WOZ de heffingsambtenaar had moeten veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht (nieuwsservice 2025, week 5, ECLI:NL:HR:2025:106). De Hoge Raad heeft X in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken om te bewijzen dat haar geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in het arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Volgens X is het bedrijfsmodel van gemachtigde niet enkel gebaseerd op het principe no cure no pay. Slechts 20% van de omzet komt voort uit een toegekende proceskostenvergoeding. Volgens de Hoge Raad is X niet geslaagd in het leveren van bewijs waardoor buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat hier sprake is van een bijzonder geval. Voor zover de gegevens zijn toegespitst op de kosten van deze cassatieprocedure geven zij geen inzicht in het bedrijfsmodel van de gemachtigde. Voor zover X heeft gesteld dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet alleen is gebaseerd op het principe no cure no pay omdat de gemachtigde ook andere diensten aanbiedt, geldt dat alleen het deel van de dienstverlening dat is gebaseerd op het principe no cure no pay in de beschouwingen moet worden betrokken. X heeft geen gegevens verstrekt op grond waarvan kan worden beoordeeld of dit deel voldoet aan het kenmerk van vergaande overdekking. De Hoge Raad kan niet beoordelen of het geval van X kennelijk niet alle drie kenmerken heeft, en berekent de vergoeding van de proceskosten met inachtneming van de WHpkv.
Terug naar kennisbankDATUM:
18 juli 2025
ECLI:
ECLI:NL:HR:2025:1175
ZAAKNUMMER:
24/01332 bis
INSTANTIE:
Hoge Raad
